[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"grammar-exercise-01a0ba4b-8f83-7d5a-b632-0fd9299924c3":3,"grammar-exercise-lesson-01a0ba4b-8867-7609-97d9-66b3d8eed485":133},{"id":4,"grammarPage":5,"title":6,"instructions":7,"seoTitle":8,"seoDescription":9,"displayOrder":10,"type":11,"questions":12,"ogImageUrl":132},"01a0ba4b-8f83-7d5a-b632-0fd9299924c3","\u002Fapi\u002Fgrammar_pages\u002F01a0ba4b-8867-7609-97d9-66b3d8eed485","Basisvoorzetsels van plaats en tijd - Woorden sorteren","Tik op een kaart en daarna op de juiste kolom. Plaats alle kaarten om het bord af te ronden.","Voorzetsels sorteren: in, op, onder en naast","Sorteer zinnen in categorieën met in, op, onder, naast of tussen, en let op de plaats van dingen en personen in een ruimte, zoals melk in de fles.",4,"word_sort",[13,37,60,87,110],{"id":14,"sentenceTemplate":15,"displayOrder":16,"explanation":17,"blanks":18,"payload":19},"01a0ba4b-8f83-7e96-b632-0fd929ec525c","Kies in, op of onder voor de puntjes. Let op de plaats tussen haakjes.",0,"Gebruik in voor een plaats binnen iets, op voor contact met de bovenkant en onder voor een lagere plaats. De plaats tussen haakjes helpt je kiezen.",[],{"items":20,"categories":36},[21,24,26,29,31,34],{"text":22,"category":23},"Melk zit ... de fles (binnenin).","in",{"text":25,"category":23},"Soep zit ... de pan (binnenin).",{"text":27,"category":28},"Sneeuw ligt ... het dak (bovenkant).","op",{"text":30,"category":28},"De vaas staat ... de plank (bovenkant).",{"text":32,"category":33},"De kat ligt ... de stoel (lager).","onder",{"text":35,"category":33},"De tas ligt ... het bed (lager).",[23,28,33],{"id":38,"sentenceTemplate":39,"displayOrder":40,"explanation":41,"blanks":42,"payload":43},"01a0ba4b-8f83-7f02-b632-0fd92acfa6e5","Kies naast of tussen voor de puntjes. De namen tonen de plaatsen van links naar rechts.",1,"Naast betekent direct aan de zijkant van iemand. Tussen betekent dat er aan beide kanten iemand staat. Kijk naar de namenrij én naar de personen na de puntjes.",[],{"items":44,"categories":59},[45,48,50,52,55,57],{"text":46,"category":47},"Ali–Noor: Ali staat ... Noor.","naast",{"text":49,"category":47},"Eva–Sam: Sam staat ... Eva.",{"text":51,"category":47},"Bo–Tim: Bo staat ... Tim.",{"text":53,"category":54},"Pim–Jo–Bas: Jo staat ... Pim en Bas.","tussen",{"text":56,"category":54},"Lina–Omar–Mia: Omar zit ... Lina en Mia.",{"text":58,"category":54},"Els–Jan–Rik: Jan zit ... Els en Rik.",[47,54],{"id":61,"sentenceTemplate":62,"displayOrder":63,"explanation":64,"blanks":65,"payload":66},"01a0ba4b-8f83-7f5a-b632-0fd92bc9c44e","Sorteer de tijdsaanduidingen op om, op, in of geen voorzetsel.",2,"Gebruik om bij een tijdstip, op bij een dag of datum, in bij een maand, jaar of seizoen en geen voorzetsel bij vandaag of morgen.",[],{"items":67,"categories":86},[68,71,73,75,77,79,81,84],{"text":69,"category":70},"... negen uur","om",{"text":72,"category":70},"... half drie",{"text":74,"category":28},"... maandag",{"text":76,"category":28},"... 5 mei",{"text":78,"category":23},"... augustus",{"text":80,"category":23},"... de winter",{"text":82,"category":83},"... vandaag","Geen voorzetsel",{"text":85,"category":83},"... morgen",[70,28,23,83],{"id":88,"sentenceTemplate":89,"displayOrder":90,"explanation":91,"blanks":92,"payload":93},"01a0ba4b-8f84-7010-9944-bccda509a168","Zegt de zin waar iemand is of waar iemand naartoe gaat? Sorteer de zinnen.",3,"Een vaste plaats vertelt waar iemand is: in de winkel, op school of thuis. Een bestemming vertelt waar iemand naartoe gaat. Daarvoor gebruik je naar; bij de eigen woning zeg je naar huis.",[],{"items":94,"categories":109},[95,98,100,103,105,107],{"text":96,"category":97},"Ik ben in de winkel.","Vaste plaats",{"text":99,"category":97},"Wij zijn op school.",{"text":101,"category":102},"Ik ga naar de winkel.","Bestemming",{"text":104,"category":102},"Wij gaan naar het station.",{"text":106,"category":97},"Hij is thuis.",{"text":108,"category":102},"Hij gaat naar huis.",[97,102],{"id":111,"sentenceTemplate":112,"displayOrder":10,"explanation":113,"blanks":114,"payload":115},"01a0ba4b-8f84-706c-9944-bccda5e1b511","Kies voor of achter in de wachtrij bij de kassa; nummer 1 is het eerst aan de beurt.","Iedereen staat in een wachtrij en kijkt naar de kassa. Nummer 1 is het eerst aan de beurt. Wie eerder aan de beurt is, staat voor de ander. Wie later aan de beurt is, staat achter de ander.",[],{"items":116,"categories":131},[117,120,122,125,127,129],{"text":118,"category":119},"1. Tom 2. Sara: Tom staat ... Sara.","voor",{"text":121,"category":119},"1. Kim 2. Ben: Kim staat ... Ben.",{"text":123,"category":124},"1. Roos 2. Jan: Jan staat ... Roos.","achter",{"text":126,"category":124},"1. Leo 2. Anna: Anna staat ... Leo.",{"text":128,"category":119},"1. Noor 2. Daan: Noor staat ... Daan.",{"text":130,"category":124},"1. Bas 2. Mila: Mila staat ... Bas.",[119,124],"\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_1c702059-c9ad-4e0a-b309-2e6dd3f1a311_hero.webp?v=1789831909",{"title":134,"slug":135,"language":136,"level":137},"Basisvoorzetsels van plaats en tijd","basisvoorzetsels-van-plaats-en-tijd","nl","A1"]