[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"grammar-exercise-01a0ba4b-a362-73ac-951e-497a910bb80f":3,"grammar-exercise-lesson-01a0ba4b-8a08-7db9-896c-f605ce17aecf":124},{"id":4,"grammarPage":5,"title":6,"instructions":7,"seoTitle":8,"seoDescription":9,"displayOrder":10,"type":11,"questions":12,"ogImageUrl":123},"01a0ba4b-a362-73ac-951e-497a910bb80f","\u002Fapi\u002Fgrammar_pages\u002F01a0ba4b-8a08-7db9-896c-f605ce17aecf","Gesplitste voornaamwoordelijke bijwoorden - Woorden sorteren","Tik op een kaart en daarna op de juiste kolom. Plaats alle kaarten om het bord af te ronden.","Functies van er en gesplitste vormen sorteren","Sorteer zinnen op een correct of fout geschreven verwijzing en op de functie van er: presentatief, verwijzend, kwantitatief of als plaatsaanduiding.",4,"word_sort",[13,40,69,96],{"id":14,"sentenceTemplate":15,"displayOrder":16,"explanation":17,"blanks":18,"payload":19},"01a0ba4b-a362-74bc-951e-497a91727998","Beoordeel of de verwijzing in elke zin correct is geschreven. De verwijzing gaat steeds over een eerder genoemd ding of onderwerp.",0,"Als verwijsdeel en voorzetseldeel direct naast elkaar staan, schrijf je ze aaneen. Woorden ertussen maken een gesplitste vorm mogelijk. Je schrijft die tussenliggende woorden niet aan de delen vast.",[],{"items":20,"categories":39},[21,24,26,28,30,33,35,37],{"text":22,"category":23},"Ik wacht erop.","Correct geschreven",{"text":25,"category":23},"Zij praat daar liever niet over.",{"text":27,"category":23},"We werken hiermee.",{"text":29,"category":23},"Hij denkt er vaak aan.",{"text":31,"category":32},"Ik reken er op.","Verkeerd geschreven",{"text":34,"category":32},"Zij spreekt daar over.",{"text":36,"category":32},"We werken hierelke dagmee.",{"text":38,"category":32},"Hij denkt ernogaan.",[23,32],{"id":41,"sentenceTemplate":42,"displayOrder":43,"explanation":44,"blanks":45,"payload":46},"01a0ba4b-a362-750c-951e-497a91ad55e6","Sorteer de zinnen naar de functie van er. Elke zin bevat er precies eenmaal.",1,"Presentatief er introduceert iets dat bestaat. Als verwijsdeel vormt er met een voorzetseldeel een verwijzing. Kwantitatief er hoort bij een aantal zonder genoemd zelfstandig naamwoord. Plaatsaanduidend er betekent op die plaats en heeft geen voorzetseldeel.",[],{"items":47,"categories":68},[48,51,53,56,58,61,63,66],{"text":49,"category":50},"Er ligt een brief op tafel.","Presentatief",{"text":52,"category":50},"Er loopt een hond door de tuin.",{"text":54,"category":55},"Ik ben er tevreden mee.","Verwijsdeel",{"text":57,"category":55},"We hebben er lang naar gezocht.",{"text":59,"category":60},"Van die appels neem ik er twee.","Kwantitatief",{"text":62,"category":60},"Van die boeken heb ik er vijf.",{"text":64,"category":65},"Utrecht? Ik woon er al jaren.","Plaatsaanduidend",{"text":67,"category":65},"Dat hotel? We slapen er vannacht.",[50,55,60,65],{"id":70,"sentenceTemplate":71,"displayOrder":72,"explanation":73,"blanks":74,"payload":75},"01a0ba4b-a362-7544-951e-497a91e68443","Bepaal bij elke zin of het laatste woord bij een scheidbaar werkwoord of bij een voorzetselverwijzing hoort.",2,"Gebruik de infinitieftest: opbellen, opruimen, aantrekken en uitnodigen zijn werkwoorden. Wachten op, letten op, denken aan en praten over zijn werkwoorden met een voorzetsel. De aanwezigheid van er beslist dit niet: er kan ook alleen een plaats aanduiden.",[],{"items":76,"categories":95},[77,80,82,84,86,89,91,93],{"text":78,"category":79},"Ik bel er morgen iemand op.","Scheidbaar werkwoorddeel",{"text":81,"category":79},"Wij ruimen de kamer op.",{"text":83,"category":79},"Zij trekt er haar jas aan.",{"text":85,"category":79},"Hij nodigt Noor uit.",{"text":87,"category":88},"Ik wacht er morgen op.","Voorzetseldeel bij verwijzing",{"text":90,"category":88},"Daar let ik goed op.",{"text":92,"category":88},"Hier denkt zij vaak aan.",{"text":94,"category":88},"Hij praat er rustig over.",[79,88],{"id":97,"sentenceTemplate":98,"displayOrder":99,"explanation":100,"blanks":101,"payload":102},"01a0ba4b-a362-7574-951e-497a9239c072","Sorteer de vragen: vraagt de voorzetselcombinatie naar een persoon of naar een ding of onderwerp?",3,"Bij een persoon gebruik je een voorzetsel met wie. Bij een ding of onderwerp gebruik je waar met een voorzetseldeel. Die delen kunnen naast elkaar of gesplitst staan. Met krijgt in een voornaamwoordelijk bijwoord de vorm mee.",[],{"items":103,"categories":122},[104,107,109,111,113,116,118,120],{"text":105,"category":106},"Op wie heb je gewacht?","Persoon",{"text":108,"category":106},"Met wie werk je samen?",{"text":110,"category":106},"Over wie hebben jullie gesproken?",{"text":112,"category":106},"Aan wie denk je vaak?",{"text":114,"category":115},"Waar heb je zo lang op gewacht?","Ding of onderwerp",{"text":117,"category":115},"Waarmee kan ik dit openen?",{"text":119,"category":115},"Waar wil zij morgen over spreken?",{"text":121,"category":115},"Waaraan denk je?",[106,115],"\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_50d87efc-b6e1-4037-9fa8-bb898d3e6a3b_hero.webp?v=1789831914",{"title":125,"slug":126,"language":127,"level":128},"Gesplitste voornaamwoordelijke bijwoorden","gesplitste-voornaamwoordelijke-bijwoorden","nl","B1"]