[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"grammar-page-nl-vraagwoorden-in-eenvoudige-vragen":3,"grammar-exercises-by-page-01a0ba4b-8cde-7300-830a-aa5794a4dc20":183,"exercise-list-path-nl-none":214},{"id":4,"title":5,"slug":6,"seoDescription":7,"content":8,"language":9,"level":10,"displayOrder":11,"grammarTopics":12,"createdAt":19,"updatedAt":20,"vocabularyLists":21,"primaryTopicHub":180,"readyImages":182},"01a0ba4b-8cde-7300-830a-aa5794a4dc20","Vraagwoorden in eenvoudige vragen","vraagwoorden-in-eenvoudige-vragen","Leer wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welk en welke gebruiken en maak eenvoudige Nederlandse vragen met de juiste woordvolgorde en korte antwoorden.","Met een **vraagwoord** vraag je om specifieke informatie, bijvoorbeeld over een persoon, een ding, een plaats of een tijd. Het antwoord is meer dan alleen *ja* of *nee*.\n\nNa deze les kun je:\n\n- een passend vraagwoord kiezen;\n- een eenvoudige vraag met de juiste woordvolgorde maken;\n- **welk** of **welke** voor een zelfstandig naamwoord gebruiken.\n\n## 1. De belangrijkste vraagwoorden\n\nElk vraagwoord vraagt om een ander soort antwoord.\n\n| Vraagwoord | Je vraagt naar... | Voorbeeld |\n| --- | --- | --- |\n| **wie** | een persoon | Wie is de docent? |\n| **wat** | een ding of een handeling | Wat lees je? |\n| **waar** | een plaats | Waar woont Amir? |\n| **wanneer** | een tijd of een moment | Wanneer begint de les? |\n| **waarom** | een reden | Waarom leer je Nederlands? |\n| **hoe** | een manier of een toestand | Hoe gaat het? |\n| **hoeveel** | een aantal of een hoeveelheid | Hoeveel appels koop je? |\n\nMet **waar** kun je ook naar vertrek en bestemming vragen. **Vandaan** en **naartoe** staan achteraan: *Waar kom je vandaan?* \u002F *Waar ga je naartoe?*\n\n:::example\n**Waar woon je?** — Ik woon in Leiden.\n\n**Wanneer begint de film?** — De film begint om acht uur.\n\n**Waarom ga je naar huis?** — Ik heb een afspraak.\n:::\n\n## 2. De woordvolgorde\n\nIn de meeste vragen staat eerst het vraagwoord. Daarna komen de persoonsvorm en het onderwerp.\n\n**Vraagwoord + persoonsvorm + onderwerp + rest?**\n\n| Opbouw | Vraag |\n| --- | --- |\n| waar + woon + jij | **Waar woon jij?** |\n| wanneer + werkt + Sara | **Wanneer werkt Sara?** |\n| waarom + leert + hij + Nederlands | **Waarom leert hij Nederlands?** |\n| hoe + gaat + u + naar het station | **Hoe gaat u naar het station?** |\n\nKomt **je** of **jij** direct na de persoonsvorm? Dan verdwijnt de uitgang **-t**: **Waar woon je?**, niet *Waar woont je?*\n\n:::warning\nZet het onderwerp niet vóór de persoonsvorm in een gewone vraagwoordvraag.\n\n✓ Waar **woon jij**?\n\n✗ Waar **jij woont**?\n:::\n\n:::note\nJe hebt geen extra hulpwerkwoord nodig om deze vragen te maken. De persoonsvorm komt direct na het vraagwoord.\n:::\n\n## 3. Wie en wat als onderwerp\n\nSoms is **wie** of **wat** zelf het onderwerp van de zin. Dan komt er niet nog een onderwerp na de persoonsvorm.\n\n| Vraag | Vraagwoord is... | Antwoord |\n| --- | --- | --- |\n| **Wie belt?** | de persoon die belt | Mijn moeder belt. |\n| **Wie woont hier?** | de persoon die hier woont | Noor woont hier. |\n| **Wat ligt op de tafel?** | het ding op de tafel | Het boek ligt daar. |\n\nVergelijk:\n\n- **Wie helpt mij?** — Sara helpt mij. **Wie** is het onderwerp, dus er volgt geen extra onderwerp.\n- **Wie help jij?** — Ik help Amir. **Jij** is het onderwerp en staat na de persoonsvorm.\n\n## 4. Welk en welke\n\nGebruik **welk** en **welke** als iemand uit mogelijkheden moet kiezen. Kijk naar het lidwoord van het zelfstandig naamwoord.\n\n| Woord met lidwoord | Vraagwoord | Voorbeeld |\n| --- | --- | --- |\n| **het boek** | **welk** | Welk boek lees je? |\n| **het station** | **welk** | Welk station is dichtbij? |\n| **de bus** | **welke** | Welke bus neem je? |\n| **de kleur** | **welke** | Welke kleur vind je mooi? |\n| **de schoenen** | **welke** | Welke schoenen koop je? |\n| soort of kenmerk | **wat voor (een)** | Wat voor boek lees je? |\n\nGebruik **welk\u002Fwelke** als je uit bekende mogelijkheden kiest. Met **wat voor (een)** vraag je naar de soort.\n\nBij een meervoud gebruik je altijd **welke**, omdat een meervoud het lidwoord **de** heeft.\n\n:::tip\nLeer een nieuw zelfstandig naamwoord altijd met het lidwoord. Dan kun je later ook snel **welk** of **welke** kiezen.\n:::\n\n## 5. Combinaties met hoe en hoeveel\n\n**Hoe** staat ook in enkele veelgebruikte combinaties.\n\n- **Hoe laat** begint de les? — Om negen uur.\n- **Hoe oud** is je broer? — Hij is zestien jaar.\n\n**Hoeveel** is een apart vraagwoord voor een aantal of hoeveelheid.\n\n- **Hoeveel** kost het brood? — Het brood kost drie euro.\n- **Hoeveel** boeken heb je? — Ik heb vier boeken.\n\nLet op: **hoeveel** schrijf je als één woord.\n\n## 6. Een vraag beantwoorden\n\nGeef precies de informatie waar het vraagwoord om vraagt.\n\n1. Bij **wie** noem je een persoon.\n2. Bij **waar** noem je een plaats.\n3. Bij **wanneer** noem je een tijd of een moment.\n4. Bij **waarom** geef je een reden: *Ik heb een afspraak.*\n5. Bij **hoeveel** noem je een aantal of een hoeveelheid.\n6. Bij **waar** kun je ook zeggen waar je vandaan komt of naartoe gaat: *Ik kom uit Utrecht* \u002F *Ik ga naar school*.\n\n:::example\n**Wie is dat?** — Dat is mijn buurman.\n\n**Waar is de sleutel?** — De sleutel ligt in de tas.\n\n**Wanneer kom je?** — Ik kom morgen.\n:::\n\n## 7. Kort samengevat\n\n- Kies een vraagwoord dat past bij de informatie die je zoekt.\n- Gebruik meestal **vraagwoord + persoonsvorm + onderwerp**.\n- Staat **wie** of **wat** zelf als onderwerp? Voeg dan geen tweede onderwerp toe.\n- Gebruik **welk** bij een enkelvoudig het-woord en **welke** bij een de-woord of een meervoud.","nl","A1",36,[13],{"id":14,"name":15,"level":10,"language":9,"isCompleted":16,"completionPercentage":17,"totalExercises":18,"completedExercises":17},"01a0ba4b-87a8-7b95-b5b4-7561da38c6de","Vragen stellen en instructies geven",false,0,11,"2026-09-19T15:31:48+00:00","2026-10-11T12:53:41+00:00",[22],{"id":23,"title":24,"vocabularyListWords":25,"isPublished":39},"01a0ba4c-5a6a-725d-97b2-5de867f324ca","Vraagwoorden voor mensen, dingen, plaats en tijd",[26,42,55,69,82,95,108,123,131,140,152,162],{"id":27,"vocabularyWord":28,"displayOrder":40},"01a0ba4c-5a6a-72c9-97b2-5de868962ec7",{"id":29,"word":30,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":32,"partsOfSpeech":33,"audio":39,"audioUrl":41},"01a0ba4b-d795-7bfe-aaca-393b0439807a","wie",10,"tts_88393222fd76abf4_nl-NL.mp3",[34],{"id":35,"partOfSpeech":36,"definition":37,"exampleSentences":38,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d7dd-79e5-99f2-101f3991cf66","PRONOUN","Vraagwoord waarmee naar een persoon of personen wordt gevraagd.","Wie is die jongen naast je?",true,1,"\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_88393222fd76abf4_nl-NL.mp3",{"id":43,"vocabularyWord":44,"displayOrder":54},"01a0ba4c-5a6a-7315-97b2-5de868cb234c",{"id":45,"word":46,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":47,"partsOfSpeech":48,"audio":39,"audioUrl":53},"01a0ba4b-d74c-72be-b5da-e436148d9e8a","wat","tts_50c4ca8480227c77_nl-NL.mp3",[49],{"id":50,"partOfSpeech":36,"definition":51,"exampleSentences":52,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d759-7db0-afe6-cd9a87407c8e","Vraagwoord waarmee naar een ding, handeling of informatie wordt gevraagd.","Wat lees je nu?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_50c4ca8480227c77_nl-NL.mp3",2,{"id":56,"vocabularyWord":57,"displayOrder":68},"01a0ba4c-5a6a-7355-97b2-5de868d2653d",{"id":58,"word":59,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":60,"partsOfSpeech":61,"audio":39,"audioUrl":67},"01a0ba4b-d748-7c05-9ee8-003a4e19d314","waar","tts_a8c14dd28172b1d0_nl-NL.mp3",[62],{"id":63,"partOfSpeech":64,"definition":65,"exampleSentences":66,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d759-77fc-afe6-cd9a847c91a7","ADVERB","Vraagwoord waarmee naar een plaats wordt gevraagd.","Waar woont jouw broer?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_a8c14dd28172b1d0_nl-NL.mp3",3,{"id":70,"vocabularyWord":71,"displayOrder":81},"01a0ba4c-5a6a-739d-97b2-5de869238297",{"id":72,"word":73,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":74,"partsOfSpeech":75,"audio":39,"audioUrl":80},"01a0ba4b-d74a-7cfd-ac25-0b6f84879b1c","wanneer","tts_928188504ebabbd8_nl-NL.mp3",[76],{"id":77,"partOfSpeech":64,"definition":78,"exampleSentences":79,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d759-7b28-afe6-cd9a86225e31","Vraagwoord waarmee naar een tijd of moment wordt gevraagd.","Wanneer begint de les?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_928188504ebabbd8_nl-NL.mp3",4,{"id":83,"vocabularyWord":84,"displayOrder":94},"01a0ba4c-5a6a-73c1-97b2-5de86a0c8218",{"id":85,"word":86,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":87,"partsOfSpeech":88,"audio":39,"audioUrl":93},"01a0ba4b-d749-76d9-9bc5-a01e7788484d","waarom","tts_049585783d1683a2_nl-NL.mp3",[89],{"id":90,"partOfSpeech":64,"definition":91,"exampleSentences":92,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d759-790c-afe6-cd9a853e39bd","Vraagwoord waarmee naar een reden wordt gevraagd.","Waarom ga je vandaag niet werken?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_049585783d1683a2_nl-NL.mp3",5,{"id":96,"vocabularyWord":97,"displayOrder":107},"01a0ba4c-5a6a-73dd-97b2-5de86ae95546",{"id":98,"word":99,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":100,"partsOfSpeech":101,"audio":39,"audioUrl":106},"01a0ba4b-d545-7de9-9ec2-7dd7cfaea3c0","hoe","tts_cc776dd7098ac7f6_nl-NL.mp3",[102],{"id":103,"partOfSpeech":64,"definition":104,"exampleSentences":105,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d565-7084-a20d-839bac29a887","Vraagwoord waarmee naar de manier, toestand of mate wordt gevraagd.","Hoe reis je elke dag naar je werk?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_cc776dd7098ac7f6_nl-NL.mp3",6,{"id":109,"vocabularyWord":110,"displayOrder":122},"01a0ba4c-5a6a-73f9-97b2-5de86b39cc9f",{"id":111,"word":112,"frequency":113,"level":114,"language":9,"audioFilePath":115,"partsOfSpeech":116,"audio":39,"audioUrl":121},"01a0ba4b-dfde-705b-87ec-0ad4a1d26d72","hoeveel",8,"A2","tts_959035aead21d6bf_nl-NL.mp3",[117],{"id":118,"partOfSpeech":119,"definition":120,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-dfeb-72d4-bab9-7068d201d66c","DETERMINER","","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_959035aead21d6bf_nl-NL.mp3",7,{"id":124,"vocabularyWord":125,"displayOrder":113},"01a0ba4c-5a6a-7415-97b2-5de86bfccecd",{"id":126,"word":127,"frequency":122,"level":114,"language":9,"audioFilePath":128,"partsOfSpeech":129,"audio":39,"audioUrl":130},"01a0ba4b-d5ec-79a3-9dfd-32ee622c86a1","vandaan","tts_730834320123e13a_nl-NL.mp3",[],"\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_730834320123e13a_nl-NL.mp3",{"id":132,"vocabularyWord":133,"displayOrder":139},"01a0ba4c-5a6a-7435-97b2-5de86cae12e4",{"id":134,"word":135,"frequency":122,"level":114,"language":9,"audioFilePath":136,"partsOfSpeech":137,"audio":39,"audioUrl":138},"01a0ba4b-d699-7a99-935b-a7013c94ed0d","naartoe","tts_9819043ac9758998_nl-NL.mp3",[],"\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_9819043ac9758998_nl-NL.mp3",9,{"id":141,"vocabularyWord":142,"displayOrder":31},"01a0ba4c-5a6a-7451-97b2-5de86d45e806",{"id":143,"word":144,"frequency":139,"level":10,"language":9,"audioFilePath":145,"partsOfSpeech":146,"audio":39,"audioUrl":151},"01a0ba4b-d750-74f6-90f4-42b9e500b9fd","welk","tts_9dd56813404a3b92_nl-NL.mp3",[147],{"id":148,"partOfSpeech":119,"definition":149,"exampleSentences":150,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d75a-7515-a2c4-a98ba23e3b28","Vraagwoord bij een zelfstandig naamwoord waarmee uit mogelijkheden wordt gekozen.","Welk boek wil je lezen?","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_9dd56813404a3b92_nl-NL.mp3",{"id":153,"vocabularyWord":154,"displayOrder":18},"01a0ba4c-5a6a-746d-97b2-5de86d694bd6",{"id":155,"word":156,"frequency":31,"level":10,"language":9,"audioFilePath":157,"partsOfSpeech":158,"audio":39,"audioUrl":161},"01a0ba4b-d751-7118-bc71-aae33ca2b7cb","welke","tts_3dcae6d93053773d_nl-NL.mp3",[159],{"id":160,"partOfSpeech":119,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d75a-7625-a2c4-a98ba265f5f6","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_3dcae6d93053773d_nl-NL.mp3",{"id":163,"vocabularyWord":164,"displayOrder":179},"01a0ba4c-5a6a-7485-97b2-5de86d73ffa1",{"id":165,"word":166,"frequency":139,"level":10,"language":9,"audioFilePath":167,"partsOfSpeech":168,"audio":39,"audioUrl":178},"01a0ba4b-d726-7840-b057-41cf8a7c8ac0","vraag","tts_7861885b4c4bd6c7_nl-NL.mp3",[169,174],{"id":170,"partOfSpeech":171,"definition":172,"exampleSentences":173,"isPrimary":16,"meaningOrder":54},"01a0ba4b-d756-70cb-8423-db458e4b12ce","NOUN","De behoefte van mensen om iets te kopen of te gebruiken.","In de winter is er veel vraag naar warme jassen.",{"id":175,"partOfSpeech":171,"definition":176,"exampleSentences":177,"isPrimary":39,"meaningOrder":40},"01a0ba4b-d756-707f-8423-db458e0130c3","(de; vragen) zin waarmee iemand om informatie of een antwoord vraagt.","De leerling stelt een vraag over de tekst.","\u002Fuploads\u002Faudio\u002Ftts_7861885b4c4bd6c7_nl-NL.mp3",12,{"name":15,"slug":181,"language":9},"vragen-stellen-en-instructies-geven-a1",[],[184,194,200,207],{"@id":185,"@type":186,"id":187,"grammarPage":188,"title":189,"instructions":190,"displayOrder":17,"type":191,"questionCount":192,"blankCount":192,"isCompleted":16,"ogImageUrl":193},"\u002Fapi\u002Fgrammar_exercises\u002F01a0ba4b-c347-7551-bebd-29bcf114126a","GrammarExercise","01a0ba4b-c347-7551-bebd-29bcf114126a","\u002Fapi\u002Fgrammar_pages\u002F01a0ba4b-8cde-7300-830a-aa5794a4dc20","Kies het vraagwoord","Kies het vraagwoord dat precies past bij het antwoord en de informatie die je zoekt.","word_select",15,"\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_a8b54b25-155b-4cdb-af6b-8ec1c84076b3_hero.webp?v=1789831922",{"@id":195,"@type":186,"id":196,"grammarPage":188,"title":197,"instructions":198,"displayOrder":40,"type":191,"questionCount":192,"blankCount":192,"isCompleted":16,"ogImageUrl":199},"\u002Fapi\u002Fgrammar_exercises\u002F01a0ba4b-c362-7253-8be4-0695707b9ba4","01a0ba4b-c362-7253-8be4-0695707b9ba4","Kies de passende vraag","Kies de vraag die bij het antwoord past. Let ook op de plaats van de persoonsvorm en het onderwerp.","\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_50eec370-0693-42e6-b83c-7a50117ae312_hero.webp?v=1789831922",{"@id":201,"@type":186,"id":202,"grammarPage":188,"title":203,"instructions":204,"displayOrder":54,"type":205,"questionCount":179,"blankCount":179,"isCompleted":16,"ogImageUrl":206},"\u002Fapi\u002Fgrammar_exercises\u002F01a0ba4b-c37a-71b0-880c-ba0af792504b","01a0ba4b-c37a-71b0-880c-ba0af792504b","Bouw vraagwoordvragen","Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de vraag horen weg.","sentence_builder","\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_59c036d9-427a-4e7e-9f51-ddd708c0adc7_hero.webp?v=1789831922",{"@id":208,"@type":186,"id":209,"grammarPage":188,"title":210,"instructions":211,"displayOrder":81,"type":212,"questionCount":81,"blankCount":17,"isCompleted":16,"ogImageUrl":213},"\u002Fapi\u002Fgrammar_exercises\u002F01a0ba4b-c38d-7f5d-83b1-ea010d8d4160","01a0ba4b-c38d-7f5d-83b1-ea010d8d4160","Vraagwoorden in eenvoudige vragen - Woorden sorteren","Tik op een kaart en daarna op de juiste kolom. Plaats alle kaarten om het bord af te ronden.","word_sort","\u002Fuploads\u002Fimages\u002Fgpimg_b4f113fd-57b6-4392-a9f6-e8dad914d902_hero.webp?v=1789831922",null]