Question 1
Anna vroeg Daan: “Stuur mij jouw antwoord.” Later meldde ik dat Anna Daan vroeg _____.
Options: haar zijn antwoord te sturen, haar zijn antwoord sturen, haar zijn antwoord te stuurde
Kies de indirecte formulering die persoon, tijd, plaats en kracht van de oorspronkelijke boodschap eerlijk weergeeft.
Question 1
Anna vroeg Daan: “Stuur mij jouw antwoord.” Later meldde ik dat Anna Daan vroeg _____.
Options: haar zijn antwoord te sturen, haar zijn antwoord sturen, haar zijn antwoord te stuurde
Question 2
Op maandag vroeg de tandarts: “Kom morgen terug.” Een week later vertelde Noor dat de tandarts haar vroeg _____.
Options: de volgende dag te terugkomen, de volgende dag terug te komen, de volgende dag terug komen
Question 3
We staan nog bij dezelfde balie. De medewerker zei: “Stuur het antwoord hierheen.” Hij vroeg ons het antwoord _____.
Options: hierheen sturen, hierheen te stuur, hierheen te sturen
Question 4
De medewerker zei: “Wilt u alstublieft even plaatsnemen?” Hij vroeg mij vriendelijk even _____.
Options: plaats te nemen, te plaatsnemen, plaats nemen
Question 5
De chef gaf mij een bindende taak. Hij droeg mij _____ het dossier vóór vijf uur af te ronden.
Options: om, op, aan
Question 6
De secretaris schreef: “Bevestig alstublieft uw deelname.” Hij verzocht ons vriendelijk onze deelname _____.
Options: bevestigen, te bevestigd, te bevestigen
Question 7
De technicus zei: “Pas op dat u die kabel niet aanraakt.” Hij waarschuwde mij de kabel _____.
Options: niet aan te raken, niet te aanraken, niet aan raken
Question 8
“Kun je het raam sluiten?” vroeg mijn collega, die last had van de tocht. Zij vroeg mij het raam _____.
Options: sluiten, te sluiten, te sloot
Question 9
De beheerder zei: “Deel deze code met niemand.” Hij droeg ons op de code met niemand _____.
Options: delen, te gedeeld, te delen
Question 10
De reiziger zei: “Help me alstublieft mijn koffer op te tillen.” Hij vroeg ons vriendelijk zijn koffer _____.
Options: op te tillen, te optillen, op tillen
Question 11
De gastvrouw zei: “Wilt u alstublieft uw schoenen uitdoen?” Zij vroeg ons vriendelijk _____ schoenen uit te doen.
Options: ons, onze, wij
Question 12
De begeleider zei streng: “Jullie moeten binnen blijven.” Hij zei dat wij binnen moesten _____.
Options: te blijven, gebleven, blijven
Practice Perspectief en toon with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Perspectief en toon in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.