6 levels The grammar library
Dutch grammar,
cover to cover.
Clear, example-led lessons organised into learning paths by CEFR level — from your first words to advanced fluency. Each path orders its lessons so the next one builds on the last.
77 learning paths257 lessonsFree to read
A1
Beginner — first words in.
13 paths- 01Bezit, aanwijzen en iets introduceren3 lessons · 10 exercises Open path
- 02De Nederlandse hoofdzin bouwen4 lessons · 13 exercises Open path
- 03Getallen, volgorde en datums2 lessons · 6 exercises Open path
- 04Klinkers, lettergrepen en klemtoon3 lessons · 8 exercises Open path
- 05Letters herkennen en correct spellen3 lessons · 7 exercises Open path
- 06Lidwoorden en verkleinwoorden3 lessons · 8 exercises Open path
- 07Meervouden vormen3 lessons · 10 exercises Open path
- 08Nederlandse klankcombinaties4 lessons · 12 exercises Open path
- 09Onderwerpen en aanspreekvormen3 lessons · 9 exercises Open path
- 10Ontkennen met niet en geen2 lessons · 8 exercises Open path
- 11Regelmatige en scheidbare werkwoorden4 lessons · 13 exercises Open path
- 12Vragen stellen en instructies geven3 lessons · 11 exercises Open path
- 13Zijn, hebben en frequente werkwoorden3 lessons · 11 exercises Open path
A2
Elementary — gaining speed.
15 paths- 01Het middenstuk en de werkwoordelijke tang3 lessons · 7 exercises Open path
- 02Het perfectum met hebben of zijn2 lessons · 8 exercises Open path
- 03Hoeveelheden en vergelijkingen4 lessons · 14 exercises Open path
- 04Infinitieven met te3 lessons · 11 exercises Open path
- 05Inhoud en vragen in een bijzin2 lessons · 7 exercises Open path
- 06Jezelf en elkaar2 lessons · 9 exercises Open path
- 07Meervouden, verkleinwoorden en samenstellingen4 lessons · 13 exercises Open path
- 08Naamwoorden in verwijzing en bezit3 lessons · 8 exercises Open path
- 09Plannen, verwachtingen en lopende handelingen3 lessons · 14 exercises Open path
- 10Redenen geven met omdat en want2 lessons · 7 exercises Open path
- 11Samengestelde werkwoorden en voltooide deelwoorden5 lessons · 21 exercises Open path
- 12Spellingtekens en klankwisselingen4 lessons · 12 exercises Open path
- 13Verleden tijden in verhalen4 lessons · 11 exercises Open path
- 14Verwijzen zonder onnodige herhaling5 lessons · 16 exercises Open path
- 15Voorzetsels in vaste relaties, tijd en route3 lessons · 9 exercises Open path
B1
Intermediate — building range.
14 paths- 01Advies, voorwaarden en zekerheid nuanceren3 lessons · 10 exercises Open path
- 02Bekende hoeveelheden zonder herhaling2 lessons · 8 exercises Open path
- 03Bijzin en middenstuk natuurlijk ordenen2 lessons · 6 exercises Open path
- 04Gebeurtenissen in de tijd verbinden3 lessons · 8 exercises Open path
- 05Infinitieven en werkwoordgroepen opbouwen5 lessons · 21 exercises Open path
- 06Met er en voornaamwoordelijke bijwoorden verwijzen4 lessons · 15 exercises Open path
- 07Precies verwijzen in betrekkelijke bijzinnen4 lessons · 15 exercises Open path
- 08Proces en resultaat in het passief2 lessons · 9 exercises Open path
- 09Samenhangend en professioneel communiceren3 lessons · 9 exercises Open path
- 10Spelling stap voor stap controleren3 lessons · 10 exercises Open path
- 11Tijdslagen in verhalen ordenen3 lessons · 8 exercises Open path
- 12Vooruitkijken met zullen en zou2 lessons · 8 exercises Open path
- 13Voorwaarde, tegenstelling en gevolg verbinden3 lessons · 10 exercises Open path
- 14Zelfstandige naamwoorden begrijpen en vormen4 lessons · 13 exercises Open path
B2
Upper Intermediate — speaking precisely.
16 paths- 01Afstand en gesprekshouding markeren3 lessons · 6 exercises Open path
- 02Betogen en formele teksten doelgericht structureren2 lessons · 4 exercises Open path
- 03Bijvoeglijke vormen zonder gewoon naamwoord2 lessons · 5 exercises Open path
- 04Complexe werkwoordclusters beheersen4 lessons · 10 exercises Open path
- 05De functies en plaats van er analyseren2 lessons · 6 exercises Open path
- 06Ingebedde informatie compact structureren3 lessons · 8 exercises Open path
- 07Logische relaties precies formuleren3 lessons · 7 exercises Open path
- 08Passieve perspectieven uitbreiden3 lessons · 11 exercises Open path
- 09Spelling en interpunctie in complexe teksten3 lessons · 8 exercises Open path
- 10Uitspraken, bevelen en verzoeken rapporteren2 lessons · 7 exercises Open path
- 11Verteltijd en tijdsperspectief sturen4 lessons · 7 exercises Open path
- 12Vloeiende uitspraak en informatieaccent2 lessons · 4 exercises Open path
- 13Voornaamwoordelijke bijwoorden precies gebruiken2 lessons · 7 exercises Open path
- 14Vooropplaatsing, hervatting en terzijde3 lessons · 8 exercises Open path
- 15Werkwoordelijke tang en uitloop beheren3 lessons · 6 exercises Open path
- 16Woordvorming en nominalisatie doelgericht gebruiken3 lessons · 6 exercises Open path
C1
Advanced — mastering nuance.
11 paths- 01Actorschap in passieve teksten2 lessons · 6 exercises Open path
- 02Aspect en temporeel perspectief3 lessons · 7 exercises Open path
- 03Bereik en nuance van ontkenning2 lessons · 4 exercises Open path
- 04Cohesie en stijl in beschouwende teksten2 lessons · 4 exercises Open path
- 05Infinitieven en lange werkwoordclusters ontleden3 lessons · 8 exercises Open path
- 06Informatiestructuur met woordvolgorde sturen4 lessons · 8 exercises Open path
- 07Ingebedde informatie helder structureren4 lessons · 11 exercises Open path
- 08Logische relaties precies verbinden3 lessons · 7 exercises Open path
- 09Precies verwijzen met voornaamwoordelijke vormen3 lessons · 6 exercises Open path
- 10Verleden modaliteit en subtiele houding3 lessons · 8 exercises Open path
- 11Verzorgd spreken en standaardvariatie2 lessons · 4 exercises Open path
C2
Proficient — moving forward.
8 paths- 01Complexe formele teksten lezen en redigeren3 lessons · 6 exercises Open path
- 02Complexe verwijzing ontleden en redigeren3 lessons · 8 exercises Open path
- 03Ellips en niet-canonieke zinsbouw3 lessons · 6 exercises Open path
- 04Gemarkeerde modaliteit en stilistische afstand3 lessons · 10 exercises Open path
- 05Gemarkeerde ontkenning en retorische sturing2 lessons · 6 exercises Open path
- 06Taalvariatie analyseren en doelgericht inzetten4 lessons · 8 exercises Open path
- 07Verteltijd en perspectief in literair proza2 lessons · 4 exercises Open path
- 08Voorwaardelijkheid en onwerkelijke scenario's3 lessons · 8 exercises Open path
All lessons
Find a lesson directly.
- Het Nederlandse alfabetA1
- Letters benoemen en woorden spellenA1
- Korte en lange klinkers horenA1
- Open en gesloten lettergrepenA1
- De klanken ij en eiA1
- De klanken au en ouA1
- De klanken ui, eu en oeA1
- G, ch, sch, ng en nk uitsprekenA1
- Woordklemtoon en de stomme eA1
- Hoofdletters en de schrijfwijze van IJA1
- De en het bij zelfstandige naamwoordenA1
- Het onbepaalde lidwoord eenA1
- Meervouden op -enA1
- Meervouden op -s en 'sA1
- Veelvoorkomende onregelmatige meervoudenA1
- Eenvoudige verkleinwoorden met -je en -tjeA1
- Persoonlijke voornaamwoorden als onderwerpA1
- Je, jij en u aansprekenA1
- Beklemtoonde en onbeklemtoonde onderwerpsvormenA1
- Bezittelijke voornaamwoorden bij een naamwoordA1
- Deze, die, dit en dat aanwijzenA1
- Het werkwoord zijn in de tegenwoordige tijdA1
- Het werkwoord hebben in de tegenwoordige tijdA1
- Regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijdA1
- De stam van een werkwoord vindenA1
- Werkwoordsvormen met -t en -dA1
- Veelgebruikte onregelmatige werkwoordenA1
- Scheidbare werkwoorden in de tegenwoordige tijdA1
- Kunnen, willen, moeten en mogenA1
- De gebiedende wijsA1
- De basisvolgorde van een mededelende zinA1
- De persoonsvorm op de tweede plaatsA1
- Inversie na tijd en plaatsA1
- Het zinskader met twee werkwoordenA1
- Ja-neevragen met inversieA1
- Vraagwoorden in eenvoudige vragenA1
- Ontkennen met nietA1
- Ontkennen met geenA1
- Bijvoeglijke naamwoorden en de uitzondering bij een het-woordA1
- Basisvoorzetsels van plaats en tijdA1
- Hoofdtelwoorden en aantallenA1
- Rangtelwoorden en datumsA1
- Er is en er zijnA1
- Hoofdzinnen verbinden met en, maar en ofA1
- Het trema bij botsende klinkersA2
- Accenten voor nadruk en uitspraakA2
- IJ of ei en au of ou spellenA2
- Eindklanken en wisselingen tussen d en t, v en f, z en sA2
- Klinker- en medeklinkerspelling in meervoudenA2
- Verkleinwoorden op -je, -tje, -pje, -etje en -kjeA2
- Spelling van verkleinwoorden na klinkersA2
- Samenstellingen en tussenlettersA2
- Natuurlijk geslacht bij personen en dierenA2
- Wanneer een lidwoord wegblijftA2
- Persoonlijke voornaamwoorden als lijdend en meewerkend voorwerpA2
- Wederkerende voornaamwoorden bij dagelijkse handelingenA2
- Elkaar als wederkerig voornaamwoordA2
- Iemand, niemand, iets en nietsA2
- Zelfstandig gebruik van deze, die, dit en datA2
- Zelfstandige bezittelijke voornaamwoordenA2
- Er als aanduiding van een plaatsA2
- Scheidbare en onscheidbare werkwoorden herkennenA2
- Onbeklemtoonde voorvoegsels be-, ge-, her-, ont- en ver-A2
- Het perfectum met hebbenA2
- Het perfectum met zijnA2
- 't kofschip en het voltooid deelwoordA2
- Voltooide deelwoorden van scheidbare en onscheidbare werkwoordenA2
- Onregelmatige voltooide deelwoordenA2
- Het imperfectum van regelmatige werkwoordenA2
- Het imperfectum van onregelmatige werkwoordenA2
- Perfectum en imperfectum in alledaagse verhalenA2
- Het plusquamperfectum voor een eerder verledenA2
- De toekomst met gaanA2
- De toekomst met zullenA2
- Doel uitdrukken met om teA2
- Werkwoorden die een te-infinitief krijgenA2
- Bezig zijn met aan het en een infinitiefA2
- Zitten, staan, liggen en lopen teA2
- Tijd, manier en plaats in het middenstukA2
- De werkwoordelijke tang in de hoofdzinA2
- Bijzinnen met omdatA2
- Want en omdat vergelijkenA2
- Inhoudszinnen met datA2
- Indirecte ja-neevragen met ofA2
- Inversie na een bijzinA2
- Beleefde verzoeken met even, maar en alstublieftA2
- De plaats van niet in de eenvoudige zinA2
- De vergrotende en overtreffende trapA2
- Vergelijken met dan en alsA2
- Veel, weinig, genoeg, meer en minderA2
- Veelvoorkomende vaste voorzetselcombinatiesA2
- Tijdsduur met al, sinds, vanaf en gedurendeA2
- Bezitsrelaties met van en apostrof-sA2
- Onregelmatige trappen van vergelijkingA2
- Bijwoorden van frequentie en graadA2
- Voorzetsels bij richting en verplaatsingA2
- Werkwoordspelling van stam tot verleden tijdB1
- Tussen-n en tussen-s in samenstellingenB1
- Apostroffen en meervouden van leenwoordenB1
- Telbare en niet-telbare zelfstandige naamwoordenB1
- Zelfstandige naamwoorden maken met achtervoegselsB1
- Verkleinwoorden voor betekenis en houdingB1
- Presentatief er bij een onbepaald onderwerpB1
- Kwantitatief er met aantallen en hoeveelhedenB1
- Er met een voorzetselB1
- Hier- en daarwoorden met een voorzetselB1
- Gesplitste voornaamwoordelijke bijwoordenB1
- Iedereen, alles, men en algemeen jeB1
- Vaste wederkerende en wederkerige werkwoordenB1
- Perfectum en imperfectum in een samenhangend verhaalB1
- Het plusquamperfectum in tijdsvolgordeB1
- Het perfectum met een modaal werkwoordB1
- Zullen voor voorspellingen, beloften en aannamesB1
- Zou als toekomst vanuit het verledenB1
- Tijdsprongen in verhalen markerenB1
- Werkwoorden met een vast voorzetselB1
- Beginnen, blijven, stoppen en doorgaan als fasewerkwoordenB1
- Worden, blijven, blijken en lijken als koppelwerkwoordenB1
- Werkwoorden achteraan in de bijzinB1
- Twee werkwoorden in de bijzinB1
- Voornaamwoorden en bepalingen in het middenstukB1
- De plaats van niet bij werkwoorden en bepalingenB1
- Als, wanneer en toen voor tijdB1
- Terwijl en toen in beschrijving en verhaalB1
- Voordat, nadat en totdatB1
- Voorwaarden met als en tenzijB1
- Tegenstellingen met hoewel en ook alB1
- Gevolg uitdrukken met zodat en waardoorB1
- Indirecte rede met dat en ofB1
- Betrekkelijke bijzinnen met die en datB1
- Voorzetsel plus wie en waar plus voorzetselB1
- Wat als betrekkelijk voornaamwoordB1
- Betrekkelijke bijwoorden met waarB1
- Te en om te bij infinitiefconstructiesB1
- Hoeven te en durven teB1
- Laten en doen met een infinitiefB1
- De lijdende vorm met wordenB1
- De voltooide lijdende vorm met zijnB1
- Zou en zouden voor advies en beleefde verzoekenB1
- Reële en mogelijke voorwaarden met alsB1
- Verbanden markeren in verhaal en betoogB1
- Onbepaalde hoeveelheden met wat, enkele en verscheideneB1
- Samenstellingen interpreteren en zelf vormenB1
- Dit, dat en zo als tekstverwijzersB1
- Bronnen weergeven met afstand en zekerheidB1
- Afzwakken en zekerheid doserenB1
- Professioneel register afstemmen op publiek en doelB1
- Assimilatie en klankverbinding in vloeiende spraakB2
- Zinsaccent en intonatie voor nieuwe informatieB2
- Moeilijke gevallen van d, t en dtB2
- Koppelteken, trema en tussenletters in samenstellingenB2
- Hoofdletters en leestekens in formele tekstenB2
- Nominalisaties in informatieve tekstenB2
- Bijvoeglijk gebruikte deelwoorden en hun spellingB2
- Zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoordenB2
- Meerdere functies van er in één zinB2
- Woordvolgorde bij presentatief erB2
- Complexe hoeveelheidsconstructies met erB2
- Voornaamwoordelijke bijwoorden voor zaken en personenB2
- Waarmee, waarover en waarop in vraag en verwijzingB2
- Tijdsperspectief kiezen in verhalenB2
- De historische tegenwoordige tijdB2
- Perfectum en plusquamperfectum in complexe vertellingenB2
- Temporeel en modaal zullen onderscheidenB2
- Zou voor onzekerheid en informatie uit tweede handB2
- De vervangende infinitief in het perfectumB2
- Voltooide constructies met modale werkwoordenB2
- De volgorde in clusters van drie werkwoordenB2
- Scheidbare werkwoorden in werkwoordclustersB2
- Rode en groene volgorde in de bijzinB2
- De tangconstructie met een lang middenstukB2
- Bijzinnen en woordgroepen in de uitloopB2
- Linksplaatsing en hervatting met een voornaamwoordB2
- Inversie na complexe vooropplaatsingB2
- Ingebedde vragen en vraagwoordzinnenB2
- Omdat, doordat, aangezien en wantB2
- Hoewel, ofschoon, ondanks en desondanksB2
- Als, indien, mits en tenzij voor voorwaardenB2
- Evenredige vergelijking met hoe en des teB2
- Beknopte bepalingen met tegenwoordige en voltooide deelwoordenB2
- Beperkende en uitbreidende betrekkelijke bijzinnenB2
- De onpersoonlijke lijdende vorm met erB2
- Passieve zinnen met modale en voltooide vormenB2
- De krijgen-constructie bij overdrachtB2
- Directe en indirecte rede met tijd- en plaatsverschuivingB2
- Bevelen en verzoeken indirect weergevenB2
- Wel, toch, even, maar, eens en nou als modale partikelsB2
- Combinaties van modale partikels en hun intonatieB2
- Verwijzing en signaalwoorden in een betoogB2
- Formele e-mails, verslagen en adviezen structurerenB2
- Productieve afleidingen en nominalisatiesB2
- Lidwoordkeuze bij abstracte, institutionele en stoffelijke namenB2
- Creatieve woordvorming met samenstelling en afleidingB2
- Parenthetische toevoegingen en tussenzinnenB2
- Uitspraakreductie en verzorgd spreken per situatieC1
- Leestekens in lange en gelaagde zinnenC1
- Engelse leenwerkwoorden volgens de Nederlandse spellingC1
- Grensgevallen tussen bijvoeglijk naamwoord en bijwoordC1
- Betekenisverschillen door de- en het-variatieC1
- Verwijsketens zonder dubbelzinnige voornaamwoordenC1
- Er, daar en hier in vaste uitdrukkingenC1
- Voornaamwoordelijke bijwoorden in spreektaal en schrijftaalC1
- Fase, duur en voltooiing als aspectuele keuzeC1
- Temporeel gezichtspunt en verschuivende verteltijdC1
- De voltooid toekomende tijdC1
- De voltooide voorwaardelijke wijs met zou hebbenC1
- Modale betekenis in voltooide werkwoordgroepenC1
- Thema, focus en informatiestructuurC1
- Gemarkeerde woordvolgorde en topicalisatieC1
- Rechtsplaatsing en hervatting in gesproken taalC1
- Objecten en bijwoorden herschikken in het middenstukC1
- Bereik en contrast van ontkenningC1
- Gedeeltelijke ontkenning met niet alle en niet altijdC1
- Werkwoordclusters met vier of meer werkwoordenC1
- Controle en onderwerpsinterpretatie bij infinitievenC1
- Voltooide infinitieven met te hebben en te zijnC1
- Concessieve en adversatieve verbanden nuancerenC1
- Oorzaak, reden en aanleiding zorgvuldig onderscheidenC1
- Correlatieve verbindingen met zowel, noch en niet alleenC1
- Beknopte bijzinnen en weggelaten zinsdelenC1
- Wat na een hele zin als antecedentC1
- Leestekens bij beperkende en uitbreidende bijzinnenC1
- Meervoudige inbedding leesbaar houdenC1
- Handelende personen weglaten in passieve tekstenC1
- Alternatieven voor het passief met men, ze en krijgenC1
- Gestapelde modale partikels en subtiele houdingC1
- Cohesie in academische en beschouwende tekstenC1
- Nominale en verbale stijl afwisselenC1
- Standaardtaal in Nederland en België vergelijkenC1
- Regionale uitspraakvariatie herkennen en interpreterenC2
- Genitiefresten en oude naamvallen in vaste uitdrukkingenC2
- Congruentie bij complexe onderwerpen en grensgevallenC2
- Voornaamwoordelijke verwijzing in juridische en academische tekstenC2
- Complex en idiomatisch gebruik van erC2
- Gespleten voornaamwoordelijke bijwoorden en voorzetselstrandingC2
- Tijd en gezichtspunt in de vrije indirecte redeC2
- Literaire verschuivingen tussen verteltijdenC2
- Epistemische toekomst en voorwaardelijkheidC2
- Onpersoonlijke constructies in academische en ambtelijke stijlC2
- Betekenisverschillen door complexe clustervolgordeC2
- Werkwoordclustervolgorde in Nederland en BelgiëC2
- Absolute constructies in formele tekstenC2
- Naamwoordzinnen en zinnen zonder persoonsvormC2
- Ellips en samentrekking over zinsgrenzen heenC2
- Zinsvervlechting in gesproken en geschreven taalC2
- Gemarkeerde ontkenning met pas, slechts en niet danC2
- Voorwaardelijke inversie met mocht, ware en hadC2
- Gemengde en impliciete tegenfeitelijke voorwaardenC2
- Resten van de aanvoegende wijsC2
- Dienen te, behoren te en geacht worden teC2
- Modale partikels voor ironie en afstandC2
- Retorische vragen en stilistische inversieC2
- Informatiedichtheid en ritme in complexe tekstenC2
- Citaten, parafrases en meerstemmige indirecte redeC2
- Juridisch en bestuurlijk Nederlands ontledenC2
- Morfosyntaxis in Nederlands-Nederlands en Belgisch-NederlandsC2
- Dialect, omgangstaal en standaardtaal doelgericht plaatsenC2