Question 1
De begeleider zegt: ‘Voel maar eens hoe zacht deze stof is.’ Welke bijdrage levert maar eens hier? _____.
Options: Het vraagt of de luisteraar dit eerder heeft geprobeerd, Het nodigt de luisteraar uit iets te proberen, Het beschrijft een poging die al is afgerond
Question 2
Tijdens het overleg zegt een collega: ‘Geef me _____ die lijst, dan controleer ik het aantal stoelen.’
Options: eens maar, wel toch, eens even
Question 3
‘Heb jij wel eens zelf brood gebakken?’ Met wel eens vraagt de spreker hier naar _____.
Options: ervaring op een niet nader bepaald moment, het precieze tijdstip van een eerdere poging, het aantal eerdere pogingen
Question 4
‘Blijf je thuis?’ — ‘Nee, ik ga _____ mee naar het concert.’
Options: eens maar, toch maar, wel toch
Question 5
‘De kast is helemaal leeg.’ — ‘Hoe is dat _____ mogelijk?’
Options: eens maar, wel toch, nou toch
Question 6
‘Leg nou eens die telefoon weg!’ Welke bijdrage levert nou eens hier? _____.
Options: Het zet de aansporing extra kracht bij, Het beperkt de aansporing tot een later moment, Het verandert de aansporing in een vraag naar ervaring
Question 7
‘Het zwembad is gesloten.’ — ‘We gaan _____ wandelen.’
Options: eens maar, dan maar, wel toch
Question 8
‘Morgen komen alle gasten.’ — ‘De stoelen zijn _____ besteld?’
Options: eens maar, wel toch, toch wel
Question 9
Bij de receptie zegt iemand: ‘Ga maar even zitten.’ Welke bijdrage levert even aan deze uitnodiging? _____.
Options: Het stelt het zitten als iets korts voor, Het legt precies vast hoelang het zitten duurt, Het geeft aan dat het zitten al begonnen is
Question 10
In een winkel zegt iemand tegen een klant: ‘Kom _____ kijken wat er in deze cadeaudoos zit.’
Options: eens maar, maar eens, wel toch
Question 11
‘Lees eens even wat er op het etiket staat.’ Welke beschrijving past bij de combinatie? _____.
Options: Eens vraagt naar ervaring; even stelt het lezen als beperkt voor, Eens vraagt aandacht; even presenteert het lezen als een ommekeer, Eens vraagt aandacht; even stelt het lezen als beperkt voor
Question 12
‘Ik heb die jas toch maar niet besteld.’ De combinatie toch maar staat hier _____.
Options: na het bepaalde object en vóór de ontkenning, vóór het bepaalde object en na de ontkenning, na het bepaalde object en na de ontkenning
Question 13
Vergelijk ‘Dat past wel’ met ‘Dat past WÉL’. In de tweede uitvoering draagt wel sterke contrastklemtoon. Die klemtoon zet de uitspraak tegenover _____.
Options: de vraag wanneer het past, de gedachte dat het niet past, de vraag hoe vaak het past
Question 14
Een spreker zegt tweemaal ‘Dat komt toch wel goed’: eerst rustig met een dalende eindtoon, daarna met een stijgende eindtoon. Welke lezing past bij dat verschil? _____.
Options: Eerst bevestiging zoeken, daarna geruststellen, Beide keren naar eerdere ervaring vragen, Eerst geruststellen, daarna bevestiging zoeken