Question 1
Je wilt vertellen, niet vragen, dat de trein om negen uur vertrekt. Kies de mededeling: _____
Options: Vertrekt de trein om negen uur?, De trein vertrekt om negen uur., De trein om negen uur vertrekt.
Kies de zin of woordgroep die past bij de genoemde bedoeling en de basisvolgorde.
Question 1
Je wilt vertellen, niet vragen, dat de trein om negen uur vertrekt. Kies de mededeling: _____
Options: Vertrekt de trein om negen uur?, De trein vertrekt om negen uur., De trein om negen uur vertrekt.
Question 2
Je wilt aan je vriend vragen of hij in de stad woont. Kies de ja-neevraag: _____
Options: Woon jij in de stad?, Jij woont in de stad., Jij in de stad woont?
Question 3
Je geeft informatie over je woonplaats. Welke zin is een mededeling? _____
Options: Woon ik in Utrecht?, Ik in Utrecht woon., Ik woon in Utrecht.
Question 4
Je wilt weten of de bus om acht uur komt. Welke zin stelt die vraag? _____
Options: Komt de bus om acht uur?, De bus komt om acht uur., De bus om acht uur komt?
Question 5
Je meldt dat de winkel vandaag open is. Kies de juiste mededeling: _____
Options: Is de winkel vandaag open?, De winkel is vandaag open., De winkel vandaag open is.
Question 6
Je vraagt of Sara vandaag werkt. Kies de zin met vraagvolgorde: _____
Options: Sara werkt vandaag., Sara vandaag werkt?, Werkt Sara vandaag?
Question 7
Je geeft de begintijd van de les door. Welke zin vertelt die informatie? _____
Options: Begint de docent de les om tien uur?, De docent begint de les om tien uur., De docent de les om tien uur begint.
Question 8
Je wilt weten of de kinderen buiten spelen. Welke optie is de vraag? _____
Options: Spelen de kinderen buiten?, De kinderen spelen buiten., De kinderen buiten spelen?
Question 9
Je vertelt eenvoudig wat je leest. Kies de mededelende zin: _____
Options: Lees ik een bericht?, Ik een bericht lees., Ik lees een bericht.
Question 10
Je vraagt naar het plan van de studenten voor vrijdag. Kies de vraag: _____
Options: Bezoeken de studenten vrijdag het museum?, De studenten bezoeken vrijdag het museum., De studenten vrijdag het museum bezoeken?
Question 11
In "De buurman leest vanmorgen de krant" zoek je het begin van de basisvolgorde. Kies onderwerp + persoonsvorm: _____
Options: leest + de krant, de buurman + leest, vanmorgen + de krant
Question 12
In de mededeling "Ik woon vlak bij het station" zoek je het werkwoord dat bij ik hoort. Dat is _____.
Options: ik, station, woon
Question 13
Bekijk "De kinderen spelen zaterdag in het park". Welke woorden zijn de andere informatie na de persoonsvorm? _____
Options: de kinderen, zaterdag in het park, spelen
Question 14
Je hebt onderwerp "de docent", persoonsvorm "geeft" en de rest "vandaag huiswerk". Bouw de mededeling: _____
Options: De docent geeft vandaag huiswerk., Geeft de docent vandaag huiswerk., De docent vandaag huiswerk geeft.
Question 15
Vergelijk een mededeling met een vraag. Welke optie geeft informatie over de trein? _____
Options: Rijdt de trein naar Amsterdam?, De trein naar Amsterdam rijdt., De trein rijdt naar Amsterdam.
Practice Mededeling of vraag with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Mededeling of vraag in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.