Question 1
‘De bemanning had uren op een teken gewacht. Om middernacht klinkt een piep en verschijnt eindelijk het groene licht.’ De eerste zin beschrijft _____.
Options: een eerdere situatie in het plusquamperfectum, de hoofdscène in het historische presens, een toekomstige afspraak in het presens
Question 2
In 1932 ontvangt de kapitein een dringend bericht. Nadat hij het _____, belt hij onmiddellijk de havenmeester. De hoofdzin na de bijzin staat _____.
Options: hebben gelezen, heeft gelezen, is gelezen, heeft lezen, in de onvoltooid verleden tijd, in de historische tegenwoordige tijd, in het plusquamperfectum
Question 3
‘We stonden nog buiten. Dan flitst een rood licht, klinkt het alarm en rent iedereen naar de uitgang. Later die nacht keerden we terug.’ De laatste zin _____.
Options: zet de historische tegenwoordige tijd voort, plaatst met het plusquamperfectum een gebeurtenis vóór de levendige scène, hervat de gewone verleden tijd na de levendige scène
Question 4
Hij opent het hek, _____ naar binnen en _____ het direct weer achter zich.
Options: liep, heeft gelopen, zou lopen, loopt, sloot, heeft gesloten, zou sluiten, sluit
Question 5
‘In 1912 bereikt de ploeg de top. Een week eerder had een storm hun eerste poging afgebroken.’ De tweede zin gebruikt _____ om de eerdere gebeurtenis te onderscheiden van de hoofdscène.
Options: het plusquamperfectum, het perfectum, de onvoltooid verleden tijd
Question 6
‘Volgende donderdag vergadert de commissie om negen uur.’ De werkwoordsvorm is _____; de gebeurtenis ligt _____.
Options: een verleden tijd zonder hulpwerkwoord, een presensvorm zonder hulpwerkwoord, een toekomstvorm met een hulpwerkwoord, vóór het spreekmoment, op het spreekmoment, na het spreekmoment
Question 7
In de bespreking van het schilderij _____ de rivier de grens tussen twee werelden.
Options: vormde, zal vormen, vormt, had gevormd
Question 8
‘De getuige had de verdachte eerder gezien. Op 4 mei kijkt hij door het raam, herkent hij hem opnieuw en waarschuwt hij de politie.’ De werkwoorden in de tweede zin _____.
Options: houden de hoofdscène consequent in het presens, wisselen binnen de hoofdscène van presens naar verleden tijd, plaatsen alle drie de handelingen vóór de eerdere waarneming
Question 9
‘Eerst spreekt niemand. Dan steekt één deelnemer zijn hand op en neemt hij het woord.’ Het tijdsignaal aan het begin van de tweede zin _____.
Options: markeert een terugkeer naar de onvoltooid verleden tijd, ordent de handelingen zonder een wisseling van werkwoordstijd, introduceert een terugblik in het plusquamperfectum
Question 10
In hoofdstuk drie _____ dat de verteller de brief zelf heeft vervalst.
Options: bleek, blijkt, was gebleken, zal blijken
Question 11
De arbeiders _____ maanden aan de tunnel _____. Op 6 juni rijdt de eerste tram erdoorheen.
Options: had, waren, zouden, hadden, werkten, werken, gewerkt, gewerkte
Question 12
‘We zaten nog in de wachtkamer. Dan verschijnt de arts in de deuropening, roept ze onze namen en wenkt ze ons naar binnen.’ De overgang tussen de twee zinnen gaat _____.
Options: van een historische scène naar een toekomstige afspraak, van het historische presens terug naar de gewone verleden tijd, van een verleden kader naar een scène in het historische presens