Question 1
Ik bezit helemaal geen voertuig. Ik heb _____ auto.
Options: niet een, geen, niet
Kies de ontkenning die precies past bij de bedoelde tegenstelling of tijd.
Question 1
Ik bezit helemaal geen voertuig. Ik heb _____ auto.
Options: niet een, geen, niet
Question 2
Noor lust deze drank nooit. Zij _____.
Options: geen drinkt koffie, drinkt koffie geen, drinkt geen koffie
Question 3
Het gaat om één bekende fiets. Ik koop de fiets _____.
Options: niet, geen, niet de
Question 4
Mijn werkweek begint op de tweede werkdag. Ik werk _____, maar op dinsdag.
Options: niet maandag op, niet op maandag, op maandag geen
Question 5
We kiezen een ander vervoermiddel. We _____, maar met de bus.
Options: niet gaan met de trein, gaan met de niet trein, gaan niet met de trein
Question 6
Sara kiest een andere kleur. Zij koopt _____, maar de blauwe.
Options: niet de rode rok, de rode niet rok, geen de rode rok
Question 7
De uitslag komt later; op dit moment is hij _____ bekend.
Options: niet meer, nog niet, ook niet
Question 8
Vroeger woonde Amir in Delft, maar nu _____.
Options: hij woont daar niet meer, woont hij daar geen meer, woont hij daar niet meer
Question 9
De oefening is juist heel eenvoudig. Ze is _____ moeilijk.
Options: helemaal niet, niet meer, nog niet
Question 10
Noor komt niet naar het feest en voor Amir geldt hetzelfde: Amir komt _____.
Options: nog niet, ook niet, niet meer
Question 11
Er staat geen enkele stoel in de kamer. Er staat _____ stoel.
Options: niet, niet een, geen
Question 12
Ik wil twee kaartjes, niet één. Ik koop _____ kaartje, maar twee.
Options: niet één, geen enkel, één niet
Question 13
Door de regen kozen we een andere plek voor de lunch. Welke zin past? _____
Options: We niet aten in de tuin, maar binnen., We aten niet in de tuin, maar binnen., We aten in de niet tuin, maar binnen.
Question 14
De bezorger is onderweg. Welke zin past? _____
Options: Het pakket is nog geen bezorgd., Het pakket zijn nog niet bezorgd., Het pakket is nog niet bezorgd.
Question 15
Lina stopte vorig jaar met roken. Welke zin beschrijft haar situatie nu? _____
Options: Lina rookt niet meer., Lina rookt nog niet., Lina rookt ook niet later.
Practice Geen, contrast en vaste combinaties with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Geen, contrast en vaste combinaties in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.