Question 1
Dit plan is goed, maar het andere is _____.
Options: best, beter, goeder
Kies de vorm die bij de vergelijking en de plaats in de zin past.
Question 1
Dit plan is goed, maar het andere is _____.
Options: best, beter, goeder
Question 2
Van alle voorstellen werkt dit voorstel het _____.
Options: goedst, beter, best
Question 3
Dit jaar komen _____ bezoekers dan vorig jaar.
Options: meer, meest, veeler
Question 4
Deze taak kost _____ tijd dan de vorige.
Options: minst, minder, weiniger
Question 5
Ik reis _____ met de trein dan met de auto.
Options: graagst, liefst, liever
Question 6
Van alle gerechten eet Amir soep het _____.
Options: liefst, liever, graag
Question 7
Dit is de _____ oplossing voor ons probleem.
Options: best, beste, goedste
Question 8
Dit woordenboek is _____ dan mijn schrift.
Options: diker, dikst, dikker
Question 9
Deze kraan gebruikt het _____ water.
Options: meeste, meest, meer
Question 10
Na het wachten klonk de klant _____ dan daarvoor.
Options: boser, bozer, boozer
Question 11
Deze jas is _____ dan die andere jas.
Options: duurer, duurst, duurder
Question 12
Dit is de _____ comfortabele stoel van de drie.
Options: meest, meer, meeste
Question 13
De rode fiets is _____ dan de groene.
Options: goedkoopst, goedkoper, meer goedkoop
Question 14
Van de drie hotels heeft dit hotel de _____ kamers.
Options: minste, minder, minst
Question 15
Van de drie tassen is de zwarte het _____.
Options: lichtst, lichst, lichter
Practice Vergelijken in zinnen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vergelijken in zinnen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.