Question 1
Dinsdag zei Rosa: “Ik begeleid vandaag een excursie.” Een week later meldde ik dat Rosa _____.
Options: die dag een excursie begeleidde, vandaag een excursie begeleidde, die dag een excursie begeleidden
Kies de indirecte formulering die persoon, tijd en plaats vanuit het nieuwe perspectief correct weergeeft.
Question 1
Dinsdag zei Rosa: “Ik begeleid vandaag een excursie.” Een week later meldde ik dat Rosa _____.
Options: die dag een excursie begeleidde, vandaag een excursie begeleidde, die dag een excursie begeleidden
Question 2
Op maandag vroeg de tandarts aan mij: “Kun je morgen terugkomen?” Een maand later schreef ik dat de tandarts had gevraagd _____.
Options: of ik morgen kon terugkomen, of ik de volgende dag kon terugkomen, dat ik de volgende dag kon terugkomen
Question 3
Pieter vroeg aan mij: “Waar ligt mijn toegangspas?” Ik had zelf geen pas. Later vertelde ik dat Pieter had gevraagd _____.
Options: waar mijn toegangspas lag, waar lag zijn toegangspas, waar zijn toegangspas lag
Question 4
Donderdag zei de monteur: “Ik vervang de pomp morgen.” Op vrijdag meldde ik dat hij de pomp _____ zou vervangen.
Options: die dag, gisteren, volgende week
Question 5
Vanmiddag zei Sam: “Ik bel je vandaag nog.” Nog dezelfde middag meldde ik dat Sam mij _____ nog zou bellen.
Options: morgen, vandaag, de week ervoor
Question 6
Een maand later schreef ik over de uitspraak “Ik heb nu geen tijd.” Ik schreef dat zij _____ geen tijd had.
Options: op deze plek, volgende maand, op dat moment
Question 7
Vrijdag zei Eva: “Ik heb het pakket gisteren verstuurd.” Maandag meldde ik dat Eva het pakket _____ had verstuurd.
Options: de dag ervoor, die vrijdag, de volgende dag
Question 8
In maart zei de dirigent: “We repeteren volgende week in de nieuwe zaal.” In juni schreef ik dat het orkest _____ in de nieuwe zaal zou repeteren.
Options: vorige week, de week erna, vandaag
Question 9
In Utrecht zei Leyla: “Ik bewaar het rapport hier.” Vanuit Rotterdam meldde ik dat zij het rapport _____ bewaarde.
Options: hier, toen, daar
Question 10
In het kantoor zei Sara: “Ik archiveer deze documenten.” De documenten bleven daar. Later thuis meldde ik dat Sara _____ documenten archiveerde.
Options: die, dit, dat
Question 11
De gids zei in het museum: “Kom morgen hierheen.” Later vanuit het hotel meldde ik dat hij ons had gevraagd de volgende dag _____.
Options: hier te komen, daarheen te gaan, gisteren daar te zijn
Question 12
Lotte zei tegen mij: “Ik stuur jou mijn aantekeningen.” Ik meldde later dat _____.
Options: ik jou mijn aantekeningen stuurde, zij jou mijn aantekeningen zou sturen, zij mij haar aantekeningen zou sturen
Practice Verwijzingen verschuiven with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Verwijzingen verschuiven in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.