Question 1
Noor zei gisteren dat de winkel op zondag dicht is. Het gebruik van is laat zien dat de verteller de sluiting presenteert als _____.
Options: een nog geldende regeling, een inmiddels afgeschafte regeling, een uitsluitend toekomstige regeling
Question 2
Noor zei gisteren dat de winkel die ochtend dicht was. Zonder verdere informatie weten we _____.
Options: zeker dat de winkel nu open is, alleen dat de sluiting bij die voorbije ochtend hoort, zeker dat de winkel nu nog dicht is
Question 3
Maandag kondigde Amir aan: “Ik zal woensdag komen.” De aangekondigde komst lag _____.
Options: vóór het oorspronkelijke spreekmoment, op het oorspronkelijke spreekmoment, na het oorspronkelijke spreekmoment
Question 4
Het bestand was al weg vóór het gesprek. Eva zei dat zij het eerder _____.
Options: had verwijderd, zou verwijderen, verwijdert
Question 5
Op 8 april zei de docent: “De toets is morgen.” Op 20 april meldde ik dat de toets _____ was.
Options: op 21 april, op 9 april, op 7 april
Question 6
Op 13 mei zei de organisator: “De cursus begint morgen.” Een maand later schreef ik dat de cursus _____ begon.
Options: op 12 mei, op 14 juni, op 14 mei
Question 7
“Noor vertelde Eva dat zij haar verslag zou aanpassen” is dubbelzinnig. Noor bedoelde haar eigen tekst en zou zelf de aanpassingen doen. Duidelijker is: _____.
Options: Noor vertelde Eva dat Eva haar eigen verslag zou aanpassen, Noor vertelde Eva dat Noor haar eigen verslag zou aanpassen, Noor vertelde Eva dat Noor het verslag van Eva zou aanpassen
Question 8
Een verslaggever vervangt het neutrale zei door gaf toe. Welke extra betekenis kan die keuze toevoegen? De bron _____.
Options: verbindt zich tot een toekomstige handeling, erkent iets wat eerder verzwegen of betwist was, verzoekt de gesprekspartner om informatie
Question 9
De verpleegkundige zei tegen mij: “Ik geef jou mijn nummer.” Later vertelde ik dat de verpleegkundige _____ zou geven.
Options: jou mijn nummer, mij mijn nummer, mij haar nummer
Question 10
Sara wijst een document naast ons aan: “Dit document bewaar ik hier.” Ik sta naast haar en rapporteer meteen dat Sara _____ document hier bewaart.
Options: dit, deze, die
Question 11
In Delft zei de onderzoeker: “Ik werk hier.” Later vanuit Leiden vertelde ik dat de onderzoeker _____ werkte.
Options: in Leiden, in Delft, tussen Delft en Leiden
Question 12
De arts zei tegen mij: “Mijn assistent belt jou.” Later vertelde ik dat de assistent van de arts _____ zou bellen.
Options: zich, mijn, mij
Practice Tijdlijn en bron with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Tijdlijn en bron in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.