Question 1
De bus is al genoemd. Zeg kort dat je op de bus wacht: _____
Options: Ik wacht erop., eraan, wachten
Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.
Question 1
De bus is al genoemd. Zeg kort dat je op de bus wacht: _____
Options: Ik wacht erop., eraan, wachten
Question 2
Het plan is al bekend. Zeg zonder herhaling dat jullie over het plan praten: _____
Options: ervan, We praten erover., praat
Question 3
De afspraak is al genoemd. Vraag of iemand eraan denkt: _____
Options: erop, denkt, Denk je eraan?
Question 4
Het programma is al genoemd. Vraag of iemand met het programma kan werken: _____
Options: Kun je ermee werken?, ermet, werkte
Question 5
Je wacht al een uur op de genoemde uitslag. Plaats al een uur tussen er en op: _____
Options: eraan, Ik wacht er al een uur op., wachten
Question 6
Jullie praten na de lunch over het bekende voorstel. Plaats de tijd tussen er en over: _____
Options: ervan, praatte, Wij willen er na de lunch over praten.
Question 7
De trein is al genoemd en je hebt lang op die trein gewacht. Bouw de gesplitste vorm: _____
Options: Ik heb er lang op gewacht., eraan, wachten
Question 8
Jullie overwegen de keuken te verbouwen. Bouw de zin met denken aan: _____
Options: ervan, We denken eraan om de keuken te verbouwen., dachten
Question 9
Noor is een persoon. Zeg dat je op haar wacht en gebruik dus geen erop: _____
Options: hem, wachten, Ik wacht op haar.
Question 10
Het gaat om aantrekken, niet om trekken aan iets. Bouw de zin met de laarzen: _____
Options: Zij trekt haar laarzen aan., eraan, trekken
Practice Bouw zinnen met er en een voorzetsel with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw zinnen met er en een voorzetsel in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.