Fill in the blank

Begrippen, beroepen en instellingen

Kies de passende aanvulling. Het teken ∅ betekent: geen woord invullen.

0 / 23 blanks filled0%

Question 1

Zonder _____ vrijheid kunnen mensen hun eigen keuzes niet maken.

Options: een, ∅, het

Question 2

Voor deze functie is _____ grondige kennis van het belastingrecht vereist.

Options: het, een, dit

Question 3

Gisteren bleef je tijdens het hele gesprek rustig. Ik bewonder al _____ geduld dat je toen had.

Options: het, de, een

Question 4

Noor werkte jarenlang als leidinggevende. _____ ervaring die zij daar opdeed, komt haar nu van pas.

Options: Dit, De, Het

Question 5

De timmerman gebruikt voor de kast _____ hout in plaats van kunststof.

Options: een, de, ∅

Question 6

Er ligt één stapel planken naast de schuur. Bewaar _____ hout van die stapel voor de reparatie.

Options: het, een, de

Question 7

Onze jongste gaat naar _____ school. Het gebouw heeft een lekkend dak; morgen repareert iemand het dak van _____ school.

Options: het, ∅, dit, de

Question 8

Ik werk weer op _____ kantoor. Ons gebouw wordt opgeknapt: de ramen van _____ kantoor worden vervangen.

Options: ∅, deze, de, het

Question 9

Na het eten aan _____ tafel gaat het kind in _____ bad en daarna naar bed. Er staat één bed in zijn kamer; de poten van _____ bed zijn pas geverfd.

Options: het, dit, ∅, de, deze

Question 10

Mijn zus werkt op _____ zee; tijdens haar verlof loopt ze na een bezoek vaak te _____ voet naar _____ huis.

Options: het, ∅, dit, een, de, deze

Question 11

Mijn buurvrouw is _____ arts van beroep; volgens haar patiënten is ze _____ uitstekende arts.

Options: het, ∅, de, een

Question 12

Naast ons ligt een ziekenhuis en tegenover ons staat een universiteit. Voor mijn afspraak ga ik naar _____ ziekenhuis; daarna loop ik naar _____ universiteit.

Options: ∅, de, het

Question 13

We hebben één schoolgebouw gekocht. Morgen vervangt de aannemer de ramen van _____ school.

Options: de, het, ∅

Question 14

Mijn tante gaat elke zondag naar _____ kerk die naast haar huis staat.

Options: het, ∅, de

Question 15

Hij kan nu niet helpen: er is helemaal geen tijd beschikbaar. Hij heeft _____ tijd om mee te gaan.

Options: niet, geen, niet een

Practice Begrippen, beroepen en instellingen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Begrippen, beroepen en instellingen in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.