Question 1
Ken je Leiden? Mijn zus studeert _____ sinds september.
Options: er, erin, eraan
Kies de vorm die past bij een plaats, nieuwe informatie, een hoeveelheid, een zaak of een persoon.
Question 1
Ken je Leiden? Mijn zus studeert _____ sinds september.
Options: er, erin, eraan
Question 2
De spreker contrasteert twee werkplekken nadrukkelijk: "Ik werk niet hier, maar _____."
Options: er, daar, eraan
Question 3
Hoor je de bel? Er _____ iemand aan.
Options: bellen, aanbelt, belt
Question 4
Ik zoek mijn fiets. — _____ voor de deur.
Options: Die staat, Er staat, Die er staat
Question 5
De afspraak is nog niet bevestigd. Waarschijnlijk _____ morgen iemand langs.
Options: er komt, komt er, komen er
Question 6
Het festival is begonnen. Er _____ tot middernacht gefeest.
Options: worden, heeft, wordt
Question 7
De appels zijn al genoemd en het zelfstandig naamwoord blijft weg. "Ik wil _____."
Options: er drie, daar drie, drie
Question 8
Hebben jullie nog kaartjes? — We hebben _____ meer.
Options: er niet, er geen, daar geen
Question 9
Zijn er genoeg stoelen? — Nee, we hebben _____ nodig.
Options: er nog een paren, daar nog een paar, er nog een paar
Question 10
Heb je de drie rapporten gelezen? — Ja, ik heb _____ gelezen.
Options: de drie, er de drie, ervan de drie
Question 11
Hoeveel heb je er gekocht? — _____.
Options: Er drie, Drie, Drie er
Question 12
"Het resultaat" is een zaak. Welke vorm vervangt "op het resultaat"? "Ze rekent _____."
Options: op haar, er op, erop
Question 13
De adviseur is een persoon. Welke vorm vervangt "met de adviseur"? "We overleggen _____."
Options: met hem, ermee, er met
Question 14
Er staat niets tussen "er" en het voorzetsel "aan". Welke spelling is correct? "Ik denk _____."
Options: er aan, eraan, eraan aan
Question 15
De spreker wijst eerst naar een zaak dichtbij en daarna naar een zaak verder weg. "Ik denk _____."
Options: aan hier en aan daar, hier aan en daar aan, hieraan en daaraan
Practice Functie en verwijzing kiezen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Functie en verwijzing kiezen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.