Question 1
Rosa heeft alleen een fiets en verder niets om mee te rijden. Vul aan: Rosa heeft _____.
Options: geen auto, geen de auto, niet auto
Kies de ontkenning die bij de betekenis past. Let op onbepaalde woorden, bepaalde zaken, eigenschappen, plaatsen en handelingen.
Question 1
Rosa heeft alleen een fiets en verder niets om mee te rijden. Vul aan: Rosa heeft _____.
Options: geen auto, geen de auto, niet auto
Question 2
Die ene laptop is te duur. Sara koopt wel een andere laptop. Welke zin klopt? _____
Options: Sara koopt geen laptop., Sara koopt de laptop niet., Sara koopt niet laptop.
Question 3
De soep is koud. Kies de zin met dezelfde betekenis: _____
Options: De soep is geen warm., De soep is warm niet., De soep is niet warm.
Question 4
De sleutel ligt in de tas en dus niet op de tafel. Welke zin klopt? _____
Options: De sleutel ligt niet op de tafel., De sleutel ligt geen op de tafel., De sleutel ligt op de tafel geen.
Question 5
Sara heeft vandaag vrij. Vul de ontkenning aan: Sara werkt vandaag _____.
Options: geen, niet, geen een
Question 6
Onze portemonnees zijn leeg. Wij hebben _____ bij ons.
Options: niet geld, geen een geld, geen geld
Question 7
Alle kamers zijn bezet. Het hotel heeft vannacht _____ vrij.
Options: geen kamers, kamers geen, geen de kamers
Question 8
"Heb je een pen?" — Kies het volledige negatieve antwoord: _____
Options: Nee, ik heb niet pen., Nee, ik heb geen pen., Nee, ik heb geen een pen.
Question 9
"Koopt Noor appels?" — Kies het volledige negatieve antwoord: _____
Options: Nee, zij koopt appels geen., Nee, zij koopt geen de appels., Nee, zij koopt geen appels.
Question 10
"Is er melk?" — Kies het volledige negatieve antwoord: _____
Options: Nee, er is geen melk., Nee, er is niet melk., Nee, er is geen een melk.
Question 11
"Leest hij het boek?" — Hij legt het weg en leest een ander boek. Vul aan: Nee, hij leest het boek _____.
Options: geen, niet, geen een
Question 12
"Is de jas duur?" — Op het kaartje staat goedkoop: tien euro. Kies het antwoord: _____
Options: Nee, de jas is geen duur., Nee, de jas duur niet., Nee, de jas is niet duur.
Question 13
"Ligt de tas op de stoel?" — De tas ligt onder de tafel. Kies het antwoord: _____
Options: Nee, de tas ligt niet op de stoel., Nee, de tas ligt geen op de stoel., Nee, de tas ligt op de stoel geen.
Question 14
"Koopt Mila een zwarte tas?" — Zij verlaat de winkel zonder tas. Kies het antwoord: _____
Options: Nee, zij koopt niet zwarte tas., Nee, zij koopt geen zwarte tas., Nee, zij koopt geen een zwarte tas.
Question 15
"Komt Amir vandaag?" — Amir blijft thuis. Kies het antwoord: _____
Options: Nee, Amir geen komt vandaag., Nee, Amir komt vandaag geen., Nee, Amir komt vandaag niet.
Practice Geen of niet in de context with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Geen of niet in de context in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.