Question 1
Vandaag _____ ik eindelijk _____ waarom de verwarming gisteren uitviel.
Options: heb, had, zou, was, ontdekken, ontdekt, ontdekte, ontdekkend
Kies de voltooide tijd die past bij het huidige of verleden referentiepunt.
Question 1
Vandaag _____ ik eindelijk _____ waarom de verwarming gisteren uitviel.
Options: heb, had, zou, was, ontdekken, ontdekt, ontdekte, ontdekkend
Question 2
Toen de monteur arriveerde, _____ de beheerder de stroom al _____.
Options: heeft, had, is, zou, uitzetten, zette uit, uitgezet, uitgezet hebben
Question 3
De deur zat op slot. Iemand _____ het slot kort daarvoor _____.
Options: heeft, zou, had, is, vervangt, vervangen, verving, vervangend
Question 4
We _____ de afgelopen jaren veel _____, maar nu is het project afgerond.
Options: hadden, zouden, waren, hebben, leren, leerden, lerend, geleerd
Question 5
Gisteren _____ ik mijn sleutel _____. Ik had hem in de sporthal laten liggen.
Options: heb, had, was, zou, terugvinden, teruggevonden, vond terug, terugvindend
Question 6
De gasten waren niet meer in de zaal, want zij _____ al _____.
Options: zijn, waren, hadden, zouden, vertrekken, vertrok, vertrokken, vertrekkend
Question 7
De krant _____ vandaag drie getuigen _____; hun verklaringen worden nu onderzocht.
Options: had, zou, heeft, was, horen, hoorde, gehoord, gehoord hebben
Question 8
Toen het sein op groen sprong, _____ de machinist de deuren al _____.
Options: heeft, is, zou, had, sluiten, sloot, zal sluiten, gesloten
Question 9
Eindelijk _____ we een oplossing _____ die ook op oudere apparaten werkt.
Options: hebben, hadden, waren, zouden, vinden, gevonden, vonden, vindend
Question 10
Bij aankomst bleek dat de koerier het pakket op het verkeerde adres _____ _____.
Options: heeft, had, was, zou, bezorgen, bezorgde, bezorgd, bezorgd hebben
Question 11
De rechtstreekse vlucht _____ zojuist veilig _____; de passagiers lopen nu naar de aankomsthal.
Options: was, had, zou, is, landde, landen, geland, landend
Question 12
Toen wij het hotel bereikten, _____ de pendelbus al zonder ons _____.
Options: is, had, was, zou, vertrekt, vertrok, vertrekkend, vertrokken
Practice Tijdlagen in een verhaal ordenen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Tijdlagen in een verhaal ordenen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.