Fill in the blank

Tijdlagen in een verhaal ordenen

Kies de voltooide tijd die past bij het huidige of verleden referentiepunt.

0 / 24 blanks filled0%

Question 1

Vandaag _____ ik eindelijk _____ waarom de verwarming gisteren uitviel.

Options: heb, had, zou, was, ontdekken, ontdekt, ontdekte, ontdekkend

Question 2

Toen de monteur arriveerde, _____ de beheerder de stroom al _____.

Options: heeft, had, is, zou, uitzetten, zette uit, uitgezet, uitgezet hebben

Question 3

De deur zat op slot. Iemand _____ het slot kort daarvoor _____.

Options: heeft, zou, had, is, vervangt, vervangen, verving, vervangend

Question 4

We _____ de afgelopen jaren veel _____, maar nu is het project afgerond.

Options: hadden, zouden, waren, hebben, leren, leerden, lerend, geleerd

Question 5

Gisteren _____ ik mijn sleutel _____. Ik had hem in de sporthal laten liggen.

Options: heb, had, was, zou, terugvinden, teruggevonden, vond terug, terugvindend

Question 6

De gasten waren niet meer in de zaal, want zij _____ al _____.

Options: zijn, waren, hadden, zouden, vertrekken, vertrok, vertrokken, vertrekkend

Question 7

De krant _____ vandaag drie getuigen _____; hun verklaringen worden nu onderzocht.

Options: had, zou, heeft, was, horen, hoorde, gehoord, gehoord hebben

Question 8

Toen het sein op groen sprong, _____ de machinist de deuren al _____.

Options: heeft, is, zou, had, sluiten, sloot, zal sluiten, gesloten

Question 9

Eindelijk _____ we een oplossing _____ die ook op oudere apparaten werkt.

Options: hebben, hadden, waren, zouden, vinden, gevonden, vonden, vindend

Question 10

Bij aankomst bleek dat de koerier het pakket op het verkeerde adres _____ _____.

Options: heeft, had, was, zou, bezorgen, bezorgde, bezorgd, bezorgd hebben

Question 11

De rechtstreekse vlucht _____ zojuist veilig _____; de passagiers lopen nu naar de aankomsthal.

Options: was, had, zou, is, landde, landen, geland, landend

Question 12

Toen wij het hotel bereikten, _____ de pendelbus al zonder ons _____.

Options: is, had, was, zou, vertrekt, vertrok, vertrekkend, vertrokken

Practice Tijdlagen in een verhaal ordenen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Tijdlagen in een verhaal ordenen in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.