Question 1
De docent kiest niet jou, maar _____.
Options: mij, me, mijn
Kies de passende voorwerpsvorm. Gebruik verzorgde standaardtaal en schrijf zonder apostrofvormen, zoals in een neutrale e-mail. Let op nadruk bij een tegenstelling.
Question 1
De docent kiest niet jou, maar _____.
Options: mij, me, mijn
Question 2
Ik bedoel niet je broer, maar _____.
Options: je, jou, jouw
Question 3
De manager ziet de medewerkers elke dag. Hij ziet _____ elke dag.
Options: hun, zij, hen
Question 4
De medewerkers gaan naar kantoor. Ik ga met _____ mee.
Options: hen, hun, zij
Question 5
De gasten wachten op koffie. Ik geef _____ koffie.
Options: hen, hun, zij
Question 6
Ik geef de documenten aan de medewerkers. Ik geef ze aan _____.
Options: hun, zij, hen
Question 7
De buren staan buiten en ik zie _____.
Options: ze, hun, zij
Question 8
De gasten hebben dorst, dus ik geef _____ water.
Options: zij, ze, hen
Question 9
De klant heeft een vraag. Ik bel _____ morgen terug.
Options: 'm, hij, hem
Question 10
Daan ontvangt een kopie van deze e-mail. Wilt u _____ ook de bijlage sturen?
Options: hem, 'm, zijn
Question 11
Onze nieuwe collega heeft nog geen rooster. Ik stuur _____ de planning.
Options: d'r, haar, zij
Question 12
Mevrouw Smit heeft een afspraak aangevraagd. Wilt u _____ een bevestiging sturen?
Options: zij, d'r, haar
Question 13
Uw pakket is aangekomen. Ik bewaar _____ voor u.
Options: het, 't, hij
Question 14
Het formulier staat in de bijlage. Wilt u _____ ondertekenen?
Options: 't, het, hij
Question 15
Die vraag is niet voor mijn collega, maar voor _____.
Options: me, ik, mij
Practice Nadruk, hen en hun with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Nadruk, hen en hun in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.