Question 1
In de aankondiging staat: “Het nieuwe museum _____ in april opengaan.”
Options: zullen, zal, zult, gaan
Kies de passende vorm of interpretatie. Gebruik bij betekenisvragen alle aanwijzingen uit de context.
Question 1
In de aankondiging staat: “Het nieuwe museum _____ in april opengaan.”
Options: zullen, zal, zult, gaan
Question 2
De uitnodiging vermeldt: “Jullie _____ binnenkort meer informatie ontvangen.”
Options: zult, zal, zullen, gaat
Question 3
Vul de inversievorm in: “Wanneer _____ jij de resultaten bekendmaken?”
Options: zul, zullen, zult
Question 4
Je schrijft aan een collega: “Jij _____ de bevestiging per e-mail ontvangen.”
Options: zullen, zul, zult
Question 5
Het is 12 april. Je leest: “De werkzaamheden zullen op 3 mei van dit jaar beginnen.” Het beginnen ligt _____.
Options: vóór het moment waarop je dit leest, na het moment waarop je dit leest, op het moment waarop je dit leest
Question 6
Het is nu tien uur. Je hoort stemmen achter de gesloten deur en zegt: “Ze zullen daar aan het overleggen zijn.” Je presenteert het overleg als _____.
Options: een vermoedelijke activiteit op dit moment, een afspraak die zij later vandaag zullen houden, een activiteit die je zelf achter de deur hebt gezien
Question 7
De grond is vanochtend nat. Je kijkt naar buiten en zegt: “Het zal vannacht wel geregend hebben.” Deze uitspraak geeft _____ weer.
Options: een verwachting voor de komende nacht, een aanname over het verleden, een vaststelling op basis van zelf waargenomen regen
Question 8
Je leest in een bericht: “Morgen zal de boottocht vermoedelijk langer duren.” Deze zin bevat _____.
Options: een toekomstige tijdsreferentie met een onvoorwaardelijke toezegging, een toekomstige tijdsreferentie zonder inschatting van de spreker, zowel een toekomstige tijdsreferentie als een verwachting
Question 9
Een leerling vraagt: “Hoe herken je vakmanschap?” De docent antwoordt: “Een goede monteur zal eerst naar de oorzaak zoeken.” De docent beschrijft _____.
Options: gedrag dat je van zo iemand mag verwachten, een afspraak met een bepaalde monteur, een toezegging om zelf de oorzaak te onderzoeken
Question 10
Een collega vraagt: “Wie zorgt dat het dossier vandaag nog weggaat?” Je antwoordt: “Ik zal het vóór vijf uur versturen, daar kun je op rekenen.” Je _____.
Options: vermoedt dat het dossier al verstuurd is, verbindt je ertoe het dossier te versturen, vraagt toestemming om het dossier te versturen
Question 11
Het is maandag. Je leest op het rooster: “De cursus start volgende dinsdag.” Welke parafrase behoudt de tijdsreferentie? _____.
Options: De cursus zal sinds vorige dinsdag bezig zijn, De cursus zal afgelopen dinsdag begonnen zijn, De cursus zal volgende dinsdag beginnen
Question 12
Een vriend zegt: “We gaan straks de nieuwe buren bezoeken.” Welke parafrase behoudt het tijdsverband? _____.
Options: Ons bezoek aan de nieuwe buren moet nog plaatsvinden, Ons bezoek aan de nieuwe buren is nu al bezig, Ons bezoek aan de nieuwe buren is net afgelopen
Question 13
In het verslag van vorig jaar staat: “De directeur kondigde aan dat de fabriek een maand later _____ sluiten.”
Options: zouden, zoudt, zou
Question 14
Het is nu vier uur. Volgens de dienstregeling zal de laatste trein om zes uur al _____ vertrokken.
Options: hebben, zijn, worden
Question 15
Je collega draagt een zware doos. Je vraagt: “_____ ik de deur voor je openhouden?” Daarna bespreken jullie de lunch: “_____ we samen iets bestellen?”
Options: Zal, Zult, Zullen
Practice Vormen, tijdankers en verwachtingen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vormen, tijdankers en verwachtingen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.