Question 1
Vandaag is het maandag. De planner zegt: “Uiterlijk donderdag zal de schilder alle deuren hebben geverfd.” Het verven wordt voorgesteld als _____.
Options: een gewoonte zonder concreet tijdanker, voltooid tegen een toekomstig tijdstip, een waargenomen handeling van vorige week
Question 2
De schilder is nergens te zien en alle deuren zien er fris uit. “Hij zal ze al geverfd hebben.” De spreker _____.
Options: belooft zelf de deuren te verven, kondigt uitsluitend een toekomstige start aan, vermoedt dat het verven al klaar is
Question 3
Het is nog ochtend. Volgens de planning zal de laatste gast tegen middernacht _____ vertrokken.
Options: zijn, hebben, worden
Question 4
De bezoekers zijn weg en hun auto staat er niet meer. “Ze zullen al naar huis _____ zijn.”
Options: gaan, gegaan, gingen
Question 5
Vorige dinsdag zei Eva: “Ik kom vrijdag terug.” Je vertelt nu wat ze toen aankondigde: “Eva zei dinsdag dat ze vrijdag _____ terugkomen.”
Options: zouden, zult, zou
Question 6
In haar dagboek beschreef Noor een plan dat toen nog moest worden uitgevoerd: “We zouden de volgende ochtend de grens oversteken.” “Zouden” verwijst hier naar _____.
Options: toekomst vanuit een moment in het verleden, een verplichting die de lezer nu krijgt, een gewoonte zonder tijdsreferentie
Question 7
Een journalist schrijft: “Volgens een anonieme bron zou de directeur ontslag genomen hebben; wij hebben dit niet kunnen bevestigen.” De journalist _____.
Options: garandeert dat het ontslag heeft plaatsgevonden, geeft een bericht weer zonder het zelf te bevestigen, belooft dat de directeur later ontslag neemt
Question 8
Een collega maakt zich zorgen over een deadline. Je antwoordt: “Je kunt op me rekenen: ik zal de aanvraag vandaag indienen.” Je gebruikt “zal” vooral voor _____.
Options: een onbevestigd bericht, een vermoeden over het verleden, een belofte
Question 9
Je ziet dat een bezoeker moeite heeft met een zware tas. “Zal ik die even voor u dragen?” Dit is vooral _____.
Options: een aanbod om te helpen, een formele verplichting voor de bezoeker, een conclusie over een eerdere handeling
Question 10
Twee vrienden bespreken wat ze samen kunnen doen. Eén vraagt: “Zullen we zaterdag samen koken?” De vraag functioneert als _____.
Options: een onbevestigd bericht over anderen, een voorstel voor gezamenlijk handelen, een formeel voorschrift
Question 11
In een overeenkomst staat onder “Verplichtingen van de huurder”: “De huurder zal schade onmiddellijk melden.” “Zal” formuleert hier _____.
Options: een persoonlijke gok over huidig gedrag, een vrijblijvend aanbod van hulp, een formeel voorschrift
Question 12
Vergelijk: A “Ik haal je morgen op.” B “Ik zal je morgen ophalen, dat beloof ik.” Welke analyse past bij deze formuleringen? _____.
Options: Beide verwijzen naar later; B maakt de toezegging expliciet, Alleen B kan naar later verwijzen, B beschrijft uitsluitend een vermoeden over nu
Practice Voltooiing, berichten en bedoelingen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Voltooiing, berichten en bedoelingen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.