Question 1
Na zonsondergang _____ het snel donker.
Options: wordt, blijft, lijkt
Kies het koppelwerkwoord dat past bij verandering, voortduring, conclusie of indruk.
Question 1
Na zonsondergang _____ het snel donker.
Options: wordt, blijft, lijkt
Question 2
De temperatuur lag al dagen op twintig graden en _____ vannacht ook op twintig graden.
Options: werd, bleef, bleven
Question 3
De ontbrekende koffer is na onderzoek toch onbeschadigd _____.
Options: geblijkt, gebleken, blijken
Question 4
We hebben de route nog niet gelopen; op de kaart _____ deze route eenvoudig.
Options: lijkt, blijkt, lijken
Question 5
Noor heeft nog nooit leidinggegeven. Na de opleiding zal zij voor het eerst teamleider _____.
Options: blijven, worden, wordt
Question 6
Amir is al jaren onze vaste contactpersoon. Ook volgend jaar _____ hij onze contactpersoon.
Options: worden, blijft, wordt
Question 7
Eerst was de opdracht onduidelijk; door de extra uitleg _____ hij veel duidelijker.
Options: werden, werd, bleef
Question 8
De zaal was eerst lawaaierig, maar na tien minuten _____ ze stil.
Options: werd, bleef, wordt
Question 9
De proef leverde eindelijk duidelijkheid: uit het laboratoriumonderzoek _____ de stof onschadelijk.
Options: werd, bleek, leek
Question 10
Op het eerste gezicht _____ de oplossing goedkoop, maar niemand heeft haar nagekeken.
Options: lijkt, wordt, blijkt
Question 11
De monteur vond na onderzoek de oorzaak: het _____ uiteindelijk een defecte sensor.
Options: leek, bleek, werd
Question 12
Na enkele maanden _____ de kinderen zelfstandiger _____.
Options: hebben, is, zijn, geworden, worden, werden
Question 13
Ondanks het verzoek om sluiting _____ de bibliotheek vandaag de hele dag open.
Options: wordt, gaat, blijft
Question 14
Waarom _____ deze foto zo oud, terwijl ik hem gisteren heb gemaakt?
Options: lijkt, wordt, lijken
Question 15
Zij had deze functie nog nooit. Na de stemming _____ zij voorzitter.
Options: blijft, wordt, worden
Practice Verandering, toestand en indruk with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Verandering, toestand en indruk in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.