Question 1
Je _____ voor vertrek de verkeersinformatie kunnen controleren.
Options: zou, zouden, zou te, zouden te
Kies de vorm of woordgroep die de zin grammaticaal afmaakt.
Question 1
Je _____ voor vertrek de verkeersinformatie kunnen controleren.
Options: zou, zouden, zou te, zouden te
Question 2
Geef twee monteurs een voorzichtige suggestie: De monteurs _____ eerst samen naar de storing kunnen kijken.
Options: zou, zouden, zal, wil
Question 3
_____ u uw klantnummer kunnen noemen?
Options: Zouden, Zou te, Zou, Zouden te
Question 4
Ik zou nog een dag _____.
Options: gewacht, wacht, te wachten, wachten
Question 5
Maak de werkwoordvolgorde af: De medewerker zou _____.
Options: het probleem rustig kunnen uitleggen, kunnen het probleem rustig uitleggen, het probleem rustig kan uitleggen, het probleem rustig te kunnen uitleggen
Question 6
Je zou het formulier online kunnen _____.
Options: in te vullen, invullen, vult in, ingevuld
Question 7
_____ de notulen vanmiddag kunnen doorsturen?
Options: Zou je te, Zouden je, Zou je, Zouden je te
Question 8
_____ de muziek na tien uur zachter willen zetten?
Options: Zouden jullie te, Zou jullie, Zou jullie te, Zouden jullie
Question 9
Zou je de cijfers nogmaals _____?
Options: willen controleren, wilt controleren, te willen controleren, willen gecontroleerd
Question 10
Zij vraagt _____.
Options: of ik zou de datum nog kunnen wijzigen, of ik de datum nog zou kunnen wijzigen, of zou ik de datum nog kunnen wijzigen, of ik de datum nog kon zou wijzigen
Question 11
Ik vraag of we de vergadering kunnen vervroegen, _____.
Options: omdat ik zou graag eerder vertrekken, omdat zou ik graag eerder vertrekken, omdat ik graag eerder zou vertrekken, omdat ik graag eerder vertrek zou
Question 12
Een collega wil uit boosheid meteen opzeggen. Geef tactvol advies: Ik _____.
Options: doe dat niet, zou niet dat doen, dat niet zou doen, zou dat niet doen
Question 13
De manager _____ het voorstel eerst _____ voordat zij beslist.
Options: zou, zouden, wil, zult, te willen bespreken, willen bespreken, wil bespreken, willen besproken
Question 14
Zouden jullie _____?
Options: kunnen de deur sluiten, de deur kunt sluiten, de deur kunnen sluiten, de deur te kunnen sluiten
Practice Kies de juiste vorm en woordvolgorde with this interactive fill-in-the-blank exercise of 14 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Kies de juiste vorm en woordvolgorde in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.