A2 · ElementaryLesson 2 of 2

Het perfectum met zijn

Leer het Nederlandse perfectum met zijn vormen, herken beweging en verandering en kies bij werkwoorden als lopen correct tussen zijn en hebben.

By the flumi team About 6 min read 21 vocabulary wordsGrammar learning path: Het perfectum met hebben of zijn

Het perfectum vertelt vaak dat iets in het verleden is gebeurd. Sommige werkwoorden maken deze tijd met een vorm van zijn en een voltooid deelwoord.

De trein is vertrokken.

Wij zijn aangekomen.

Ik ben moe geworden.

In deze voorbeelden verandert de plaats of toestand van het onderwerp. Dat is een belangrijke aanwijzing voor de keuze van zijn.

De vormen van zijn

Het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.

Onderwerp Vorm van zijn Voorbeeld
ik ben Ik ben gekomen.
jij / je bent Jij bent gekomen.
u bent U bent gekomen.
hij / zij / het is Zij is gekomen.
wij / we zijn Wij zijn gekomen.
jullie zijn Jullie zijn gekomen.
zij / ze zijn Ze zijn gekomen.

In een gewone hoofdzin staat de vorm van zijn op de tweede plaats en het voltooid deelwoord meestal achteraan: De gasten zijn om acht uur vertrokken.

Zoek eerst het onderwerp en kies ben, bent, is of zijn. Zet daarna het voltooid deelwoord aan het einde van de hoofdzin.

In een bijzin

In een bijzin met dat staan de vorm van zijn en het voltooid deelwoord samen achteraan. Beide volgordes zijn goed:

  • Ik weet dat zij al vertrokken is.
  • Ik weet dat zij al is vertrokken.

Beweging naar een andere plaats

Veel werkwoorden met een duidelijke verplaatsing krijgen zijn. Er is dan vaak een beginpunt, richting of bestemming.

  • Ik ben naar het station gelopen.
  • De bus is uit de stad vertrokken.
  • We zijn om zes uur thuis aangekomen.
  • Mijn buren zijn gisteren naar België verhuisd.
  • Amir is van de trap gevallen.
  • De prijzen zijn snel gestegen.
  • De zon is achter de wolken verdwenen.

Veelgebruikte werkwoorden in deze groep zijn gaan, komen, vertrekken, aankomen, vallen, stijgen en verdwijnen.

Een verandering van toestand

Ook een verandering in de toestand van het onderwerp gaat vaak met zijn.

Hele werkwoord Voltooid deelwoord Voorbeeld met zijn Met een lijdend voorwerp: hebben
worden geworden Het kind is rustig geworden. —
groeien gegroeid De plant is snel gegroeid. —
veranderen veranderd Het weer is veranderd. Wij hebben het plan veranderd.
beginnen begonnen De vergadering is begonnen. —
stoppen gestopt De regen is gestopt. Hij heeft de motor gestopt.

Daarnaast gebruik je zijn bij enkele belangrijke werkwoorden die je het beste als vaste combinatie leert: zijn – is geweest, blijven – is gebleven en gebeuren – is gebeurd.

De regels over beweging en verandering zijn goede aanwijzingen, maar ze verklaren niet ieder werkwoord. Leer bij een nieuw werkwoord daarom ook het hulpwerkwoord: gebeuren – is gebeurd, werken – heeft gewerkt.

Beweging als activiteit: hebben of zijn

Werkwoorden zoals lopen, fietsen, rijden, vliegen en zwemmen kunnen met hebben én zijn voorkomen. De betekenis bepaalt de keuze.

Betekenis Hulpwerkwoord Voorbeeld
verplaatsing naar een bestemming zijn We zijn naar school gefietst.
activiteit, zonder belangrijk eindpunt hebben We hebben een uur gefietst.
verandering van plaats zijn Noor is naar Utrecht gereden.
activiteit of duur hebben Noor heeft de hele middag gereden.

Vraag dus niet alleen: “Is dit een werkwoord van beweging?” Kijk ook of de zin een richting of bereikt eindpunt uitdrukt.

Quick check

Try one question now.

1
Ik naar het station gegaan.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Met of zonder lijdend voorwerp

Sommige werkwoorden veranderen van hulpwerkwoord als ze een lijdend voorwerp krijgen.

Het plan is veranderd. Het plan zelf kreeg een andere vorm.

Wij hebben het plan veranderd. Het plan is hier het lijdend voorwerp.

Bij veranderen en stoppen kun je vragen: “Wat of wie verandert of stopt iemand?” Het antwoord is het lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: “Wat hebben wij veranderd?” — “Het plan.” Dan kies je hebben. Zonder lijdend voorwerp kan hetzelfde werkwoord een verandering van het onderwerp beschrijven en dan zijn krijgen.

Vragen en ontkenningen

In een ja-neevraag komt het hulpwerkwoord voor het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft meestal achteraan.

  • Ben je veilig aangekomen?
  • Is de vergadering al begonnen?
  • Zijn jullie thuis gebleven?

Bij een ontkenning staat niet vaak vlak vóór het voltooid deelwoord: Ik ben niet gevallen. Maar niet kan ook vóór een ander zinsdeel staan, zoals laat of naar het werk. Nog nooit staat vaak vóór een plaats, zoals in Parijs:

  • Ik ben nog nooit in Parijs geweest.
  • De kinderen zijn niet laat gekomen.
  • Ik ben gisteren niet naar het werk gegaan.

Kies het hulpwerkwoord niet op basis van de persoon. Ik heb gegaan en wij hebben gekomen zijn fout. Zeg ik ben gegaan en wij zijn gekomen.

Kort samengevat

  • Vorm dit perfectum met ben, bent, is of zijn plus een voltooid deelwoord.
  • Gebruik zijn vaak bij een duidelijke verplaatsing of verandering van toestand.
  • Leer vaste combinaties als is gebeurd, is gebleven en is geweest.
  • Kies bij lopen, fietsen en vergelijkbare werkwoorden zijn voor verplaatsing en hebben voor de activiteit.
  • Let bij sommige werkwoorden op een lijdend voorwerp: Het plan is veranderd, maar ik heb het plan veranderd.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

21 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 21 words and review them later.

Werkwoorden die het perfectum met zijn vormen

21 words

Last updated October 11, 2026