Het perfectum met zijn
Leer het Nederlandse perfectum met zijn vormen, herken beweging en verandering en kies bij werkwoorden als lopen correct tussen zijn en hebben.
Het perfectum vertelt vaak dat iets in het verleden is gebeurd. Sommige werkwoorden maken deze tijd met een vorm van zijn en een voltooid deelwoord.
De trein is vertrokken.
Wij zijn aangekomen.
Ik ben moe geworden.
In deze voorbeelden verandert de plaats of toestand van het onderwerp. Dat is een belangrijke aanwijzing voor de keuze van zijn.
De vormen van zijn
Het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.
| Onderwerp | Vorm van zijn | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | ben | Ik ben gekomen. |
| jij / je | bent | Jij bent gekomen. |
| u | bent | U bent gekomen. |
| hij / zij / het | is | Zij is gekomen. |
| wij / we | zijn | Wij zijn gekomen. |
| jullie | zijn | Jullie zijn gekomen. |
| zij / ze | zijn | Ze zijn gekomen. |
In een gewone hoofdzin staat de vorm van zijn op de tweede plaats en het voltooid deelwoord meestal achteraan: De gasten zijn om acht uur vertrokken.
Zoek eerst het onderwerp en kies ben, bent, is of zijn. Zet daarna het voltooid deelwoord aan het einde van de hoofdzin.
In een bijzin
In een bijzin met dat staan de vorm van zijn en het voltooid deelwoord samen achteraan. Beide volgordes zijn goed:
- Ik weet dat zij al vertrokken is.
- Ik weet dat zij al is vertrokken.
Beweging naar een andere plaats
Veel werkwoorden met een duidelijke verplaatsing krijgen zijn. Er is dan vaak een beginpunt, richting of bestemming.
- Ik ben naar het station gelopen.
- De bus is uit de stad vertrokken.
- We zijn om zes uur thuis aangekomen.
- Mijn buren zijn gisteren naar België verhuisd.
- Amir is van de trap gevallen.
- De prijzen zijn snel gestegen.
- De zon is achter de wolken verdwenen.
Veelgebruikte werkwoorden in deze groep zijn gaan, komen, vertrekken, aankomen, vallen, stijgen en verdwijnen.
Een verandering van toestand
Ook een verandering in de toestand van het onderwerp gaat vaak met zijn.
| Hele werkwoord | Voltooid deelwoord | Voorbeeld met zijn | Met een lijdend voorwerp: hebben |
|---|---|---|---|
| worden | geworden | Het kind is rustig geworden. | — |
| groeien | gegroeid | De plant is snel gegroeid. | — |
| veranderen | veranderd | Het weer is veranderd. | Wij hebben het plan veranderd. |
| beginnen | begonnen | De vergadering is begonnen. | — |
| stoppen | gestopt | De regen is gestopt. | Hij heeft de motor gestopt. |
Daarnaast gebruik je zijn bij enkele belangrijke werkwoorden die je het beste als vaste combinatie leert: zijn – is geweest, blijven – is gebleven en gebeuren – is gebeurd.
De regels over beweging en verandering zijn goede aanwijzingen, maar ze verklaren niet ieder werkwoord. Leer bij een nieuw werkwoord daarom ook het hulpwerkwoord: gebeuren – is gebeurd, werken – heeft gewerkt.
Beweging als activiteit: hebben of zijn
Werkwoorden zoals lopen, fietsen, rijden, vliegen en zwemmen kunnen met hebben én zijn voorkomen. De betekenis bepaalt de keuze.
| Betekenis | Hulpwerkwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| verplaatsing naar een bestemming | zijn | We zijn naar school gefietst. |
| activiteit, zonder belangrijk eindpunt | hebben | We hebben een uur gefietst. |
| verandering van plaats | zijn | Noor is naar Utrecht gereden. |
| activiteit of duur | hebben | Noor heeft de hele middag gereden. |
Vraag dus niet alleen: “Is dit een werkwoord van beweging?” Kijk ook of de zin een richting of bereikt eindpunt uitdrukt.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Met of zonder lijdend voorwerp
Sommige werkwoorden veranderen van hulpwerkwoord als ze een lijdend voorwerp krijgen.
Het plan is veranderd. Het plan zelf kreeg een andere vorm.
Wij hebben het plan veranderd. Het plan is hier het lijdend voorwerp.
Bij veranderen en stoppen kun je vragen: “Wat of wie verandert of stopt iemand?” Het antwoord is het lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: “Wat hebben wij veranderd?” — “Het plan.” Dan kies je hebben. Zonder lijdend voorwerp kan hetzelfde werkwoord een verandering van het onderwerp beschrijven en dan zijn krijgen.
Vragen en ontkenningen
In een ja-neevraag komt het hulpwerkwoord voor het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft meestal achteraan.
- Ben je veilig aangekomen?
- Is de vergadering al begonnen?
- Zijn jullie thuis gebleven?
Bij een ontkenning staat niet vaak vlak vóór het voltooid deelwoord: Ik ben niet gevallen. Maar niet kan ook vóór een ander zinsdeel staan, zoals laat of naar het werk. Nog nooit staat vaak vóór een plaats, zoals in Parijs:
- Ik ben nog nooit in Parijs geweest.
- De kinderen zijn niet laat gekomen.
- Ik ben gisteren niet naar het werk gegaan.
Kies het hulpwerkwoord niet op basis van de persoon. Ik heb gegaan en wij hebben gekomen zijn fout. Zeg ik ben gegaan en wij zijn gekomen.
Kort samengevat
- Vorm dit perfectum met ben, bent, is of zijn plus een voltooid deelwoord.
- Gebruik zijn vaak bij een duidelijke verplaatsing of verandering van toestand.
- Leer vaste combinaties als is gebeurd, is gebleven en is geweest.
- Kies bij lopen, fietsen en vergelijkbare werkwoorden zijn voor verplaatsing en hebben voor de activiteit.
- Let bij sommige werkwoorden op een lijdend voorwerp: Het plan is veranderd, maar ik heb het plan veranderd.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
21 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 21 words and review them later.
Werkwoorden die het perfectum met zijn vormen
21 wordsLast updated October 11, 2026