A1 · BeginnerLesson 4 of 4

Het zinskader met twee werkwoorden

Leer het zinskader met twee werkwoorden en plaats de persoonsvorm op de tweede zinsdeelplaats en het hele werkwoord aan het einde van de hoofdzin.

By the flumi team About 4 min read 16 vocabulary wordsGrammar learning path: De Nederlandse hoofdzin bouwen

Sommige Nederlandse hoofdzinnen hebben twee werkwoorden. In een mededeling staat de persoonsvorm op de tweede zinsdeelplaats en het tweede werkwoord staat aan het einde. Samen vormen ze het zinskader.

Na deze les kun je:

  • de twee werkwoorden in een eenvoudige hoofdzin vinden;
  • de persoonsvorm aan de linkerkant van het kader zetten;
  • het hele werkwoord aan het einde plaatsen;
  • het zinskader bij een mededeling, inversie en een vraag gebruiken.

De twee kanten van het zinskader

Bij werkwoorden zoals willen, kunnen, moeten en gaan is het eerste werkwoord de persoonsvorm. Het tweede staat meestal als heel werkwoord aan het einde.

Onderwerp Persoonsvorm Midden Heel werkwoord
Ik wil de koffie drinken.
Zij kan het formulier invullen.
Wij moeten de trein halen.
De kok gaat het eten maken.

De twee vetgedrukte werkwoorden staan als een kader om de informatie in het midden.

Noor wil vanavond in de keuken koken.

Linkerkant van het kader: wil.

Rechterkant van het kader: koken.

In het midden: vanavond in de keuken.

De persoonsvorm verandert

De persoonsvorm past bij het onderwerp. Het hele werkwoord aan het einde verandert niet.

Onderwerp Persoonsvorm Einde
ik kan komen
hij kan komen
wij kunnen komen
ik moet werken
de studenten moeten werken

Zoek eerst welk werkwoord bij het onderwerp verandert. Dat is de persoonsvorm en hoort aan de linkerkant van het kader.

Informatie in het midden

Andere informatie staat meestal tussen de twee werkwoorden. Staat het onderwerp vooraan, dan staat het vóór het kader. Bij inversie of een vraag kan het onderwerp wel in het midden staan.

  • tijd: Ik wil morgen de fiets repareren.
  • plaats: Wij kunnen in de bibliotheek studeren.
  • een ding: Zij moet het bericht lezen.
  • ontkenning: Amir kan vandaag niet komen.

Als er geen extra informatie is, kunnen de werkwoorden naast elkaar staan: Ik wil slapen.

Quick check

Try one question now.

1

Ravi vertelt wat hij vanavond wil doen:

Answer options

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Het kader bij inversie

Een tijd of plaats kan vooraan staan. De persoonsvorm blijft op de tweede zinsdeelplaats en het hele werkwoord blijft achteraan.

Eerste zinsdeel Persoonsvorm Onderwerp en midden Einde
Morgen wil ik de fiets repareren.
In de winkel moet Sara het formulier invullen.
Om acht uur gaat Noor de winkel openen.

Het kader in een vraag

In een ja-neevraag staat de persoonsvorm op de eerste plaats. Het tweede werkwoord blijft aan het einde.

  • Wil je de soep maken?
  • Kunnen jullie morgen komen?
  • Moet de klant het formulier invullen?

Zet het tweede werkwoord niet midden in de zin. Niet: Ik wil repareren morgen de fiets. Wel: Ik wil morgen de fiets repareren.

Kort overzicht

  1. Vind de persoonsvorm.
  2. Zet hem in een mededeling op de tweede zinsdeelplaats.
  3. Plaats de andere informatie in het midden; bij inversie of een vraag staat ook het onderwerp daar.
  4. Zet het hele werkwoord aan het einde.

Het vaste patroon is: persoonsvorm + midden + heel werkwoord.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

16 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 16 words and review them later.

Werkwoorden voor het Nederlandse zinskader

16 words

Last updated October 11, 2026