Het zinskader met twee werkwoorden
Leer het zinskader met twee werkwoorden en plaats de persoonsvorm op de tweede zinsdeelplaats en het hele werkwoord aan het einde van de hoofdzin.
Sommige Nederlandse hoofdzinnen hebben twee werkwoorden. In een mededeling staat de persoonsvorm op de tweede zinsdeelplaats en het tweede werkwoord staat aan het einde. Samen vormen ze het zinskader.
Na deze les kun je:
- de twee werkwoorden in een eenvoudige hoofdzin vinden;
- de persoonsvorm aan de linkerkant van het kader zetten;
- het hele werkwoord aan het einde plaatsen;
- het zinskader bij een mededeling, inversie en een vraag gebruiken.
De twee kanten van het zinskader
Bij werkwoorden zoals willen, kunnen, moeten en gaan is het eerste werkwoord de persoonsvorm. Het tweede staat meestal als heel werkwoord aan het einde.
| Onderwerp | Persoonsvorm | Midden | Heel werkwoord |
|---|---|---|---|
| Ik | wil | de koffie | drinken. |
| Zij | kan | het formulier | invullen. |
| Wij | moeten | de trein | halen. |
| De kok | gaat | het eten | maken. |
De twee vetgedrukte werkwoorden staan als een kader om de informatie in het midden.
Noor wil vanavond in de keuken koken.
Linkerkant van het kader: wil.
Rechterkant van het kader: koken.
In het midden: vanavond in de keuken.
De persoonsvorm verandert
De persoonsvorm past bij het onderwerp. Het hele werkwoord aan het einde verandert niet.
| Onderwerp | Persoonsvorm | Einde |
|---|---|---|
| ik | kan | komen |
| hij | kan | komen |
| wij | kunnen | komen |
| ik | moet | werken |
| de studenten | moeten | werken |
Zoek eerst welk werkwoord bij het onderwerp verandert. Dat is de persoonsvorm en hoort aan de linkerkant van het kader.
Informatie in het midden
Andere informatie staat meestal tussen de twee werkwoorden. Staat het onderwerp vooraan, dan staat het vóór het kader. Bij inversie of een vraag kan het onderwerp wel in het midden staan.
- tijd: Ik wil morgen de fiets repareren.
- plaats: Wij kunnen in de bibliotheek studeren.
- een ding: Zij moet het bericht lezen.
- ontkenning: Amir kan vandaag niet komen.
Als er geen extra informatie is, kunnen de werkwoorden naast elkaar staan: Ik wil slapen.
Quick check
Try one question now.
Ravi vertelt wat hij vanavond wil doen:
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Het kader bij inversie
Een tijd of plaats kan vooraan staan. De persoonsvorm blijft op de tweede zinsdeelplaats en het hele werkwoord blijft achteraan.
| Eerste zinsdeel | Persoonsvorm | Onderwerp en midden | Einde |
|---|---|---|---|
| Morgen | wil | ik de fiets | repareren. |
| In de winkel | moet | Sara het formulier | invullen. |
| Om acht uur | gaat | Noor de winkel | openen. |
Het kader in een vraag
In een ja-neevraag staat de persoonsvorm op de eerste plaats. Het tweede werkwoord blijft aan het einde.
- Wil je de soep maken?
- Kunnen jullie morgen komen?
- Moet de klant het formulier invullen?
Zet het tweede werkwoord niet midden in de zin. Niet: Ik wil repareren morgen de fiets. Wel: Ik wil morgen de fiets repareren.
Kort overzicht
- Vind de persoonsvorm.
- Zet hem in een mededeling op de tweede zinsdeelplaats.
- Plaats de andere informatie in het midden; bij inversie of een vraag staat ook het onderwerp daar.
- Zet het hele werkwoord aan het einde.
Het vaste patroon is: persoonsvorm + midden + heel werkwoord.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
16 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 16 words and review them later.
Werkwoorden voor het Nederlandse zinskader
16 wordsLast updated October 11, 2026