Ontkennen met niet
Leer niet gebruiken om een handeling, eigenschap, plaats of tijd te ontkennen en zet het woord op de juiste plaats in eenvoudige Nederlandse zinnen.
Met een ontkenning zeg je dat iets niet zo is of niet gebeurt. Je gebruikt niet onder meer bij een handeling, een eigenschap, een plaats, een tijd en een bepaald zelfstandig naamwoord.
Na deze les kun je:
- een eenvoudige zin met niet ontkennend maken;
- niet op een natuurlijke plaats zetten;
- het basisverschil tussen niet en geen herkennen.
Wat ontken je met niet?
Gebruik niet als je een werkwoordelijke handeling of een ander deel van de zin ontkent.
| Je ontkent... | Positieve zin | Zin met niet |
|---|---|---|
| een handeling | Ik slaap. | Ik slaap niet. |
| een eigenschap | Het boek is duur. | Het boek is niet duur. |
| een plaats | Zij woont in Delft. | Zij woont niet in Delft. |
| een tijd | We werken vandaag. | We werken vandaag niet. |
| een bepaald ding | Ik koop de jas. | Ik koop de jas niet. |
Voor de plaats van niet bij een bepaald ding, zie sectie 4.
- De koffie is niet warm.
- Mijn broer komt vanavond niet.
- Ik wacht niet op de bus.
- Wij kennen die docent niet.
Niet bij zijn
Na een vorm van zijn staat niet voor een eigenschap, een toestand of een plaats.
| Onderwerp + zijn | Niet + informatie | Hele zin |
|---|---|---|
| de winkel is | niet open | De winkel is niet open. |
| ik ben | niet moe | Ik ben niet moe. |
| de kinderen zijn | niet thuis | De kinderen zijn niet thuis. |
Zie je ben, bent, is of zijn met een eigenschap of een plaats? Zet niet meestal direct vóór die informatie.
Niet voor een zinsdeel
Wil je een plaats, een manier of een ander zinsdeel ontkennen? Zet niet meestal direct ervoor.
- Ik woon niet in Amsterdam.
- Hij reist niet met de trein.
- Sara werkt niet snel.
- De sleutel ligt niet op de tafel.
Gebruik als veilige basisvolgorde: niet staat na het onderwerp, na een bepaald lijdend voorwerp (de/het/mijn/die) en na een tijdsbepaling, maar vóór plaats, manier en eigenschap. De plaats van niet kan veranderen als je één deel extra contrasteert.
Niet later in de zin
Als niet de hele handeling ontkent, staat het vaak later in de zin. Een bepaalde persoon of zaak met de, het, deze, die, dit, dat of een bezitswoord komt meestal vóór niet.
| Bepaalde woordgroep | Ontkennende zin |
|---|---|
| de film | Ik kijk de film niet. |
| het raam | Hij opent het raam niet. |
| die man | Wij kennen die man niet. |
| mijn tas | Zij vindt mijn tas niet. |
Bij een tijdsbepaling is dit patroon ook heel gewoon:
- Ik werk morgen niet.
- We eten vanavond niet thuis.
Ook met twee werkwoorden staat niet vóór de werkwoordgroep aan het einde:
| Positief | Met niet |
|---|---|
| Ik kan vandaag komen. | Ik kan vandaag niet komen. |
| Ik heb de film gezien. | Ik heb de film niet gezien. |
| Ik bel je vandaag op. | Ik bel je vandaag niet op. |
Veelgebruikte combinaties zijn:
- Ik ben nog niet klaar.
- Zij werkt hier niet meer.
- Hij begrijpt het helemaal niet.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Een duidelijk contrast
Zet niet direct voor het deel dat je verbetert en voeg vaak maar toe.
Ik kom niet vandaag, maar morgen.
Hij woont niet in Utrecht, maar in Gouda.
De trui is niet blauw, maar groen.
Hier ontken je niet de hele zin. Je vervangt één tijd, één plaats of één eigenschap door een andere.
Niet of geen?
Gebruik geen voor een onbepaald zelfstandig naamwoord. Geen vervangt dan een of een vorm zonder lidwoord.
| Positief | Negatief | Waarom? |
|---|---|---|
| Ik heb een fiets. | Ik heb geen fiets. | onbepaald zelfstandig naamwoord |
| Zij drinkt koffie. | Zij drinkt geen koffie. | zelfstandig naamwoord zonder lidwoord |
| De fiets is duur. | De fiets is niet duur. | je ontkent een eigenschap |
| Ik koop de fiets. | Ik koop de fiets niet. | het gaat om een bepaalde fiets |
Gebruik niet automatisch niet voor een + zelfstandig naamwoord.
✓ Ik heb geen auto.
✗ Ik heb niet een auto.
Kort samengevat
- Gebruik niet voor een handeling, een eigenschap, een plaats, een manier of een tijd.
- Zet niet na het onderwerp, een bepaalde woordgroep en een tijdsbepaling, maar vóór plaats, manier en eigenschap.
- Bij twee werkwoorden staat niet vóór de werkwoordgroep aan het einde.
- Gebruik geen voor een onbepaald zelfstandig naamwoord.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
20 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 20 words and review them later.
Woorden voor zinnen met niet
20 wordsLast updated October 11, 2026