A2 · ElementaryLesson 1 of 4

Veel, weinig, genoeg, meer en minder

Leer hoeveelheden uitdrukken met veel, weinig en genoeg, vergelijk ze met meer en minder en plaats te en heel correct in Nederlandse zinnen.

By the flumi team About 5 min read 18 vocabulary wordsGrammar learning path: Hoeveelheden en vergelijkingen

Met veel, weinig en genoeg beschrijf je een hoeveelheid. Met meer en minder vergelijk je hoeveelheden: We hebben genoeg stoelen, maar we hebben meer tafels nodig.

Na deze les kun je:

  • zeggen of een hoeveelheid groot, klein of voldoende is;
  • twee hoeveelheden vergelijken met meer en minder;
  • het verschil gebruiken tussen genoeg, te veel en te weinig.

Veel en weinig

Veel noemt een grote hoeveelheid en weinig een kleine. Je gebruikt beide woorden bij meervoudige telbare woorden en bij woorden voor materiaal, eten, tijd of geld.

Met een meervoud Met een niet-telbaar woord
veel boeken veel water
weinig afspraken weinig tijd
veel bezoekers veel geld
weinig fouten weinig koffie

Een niet-telbaar woord noemt bijvoorbeeld een stof of een hoeveelheid die je niet direct als losse dingen telt, zoals water, tijd of geld.

  • Er staan veel fietsen bij het station.
  • In deze soep zit weinig zout.
  • Noor heeft deze week veel werk.
  • Vandaag zijn er weinig klanten.

Voor een kleine positieve hoeveelheid bij een niet-telbaar woord gebruik je ook een beetje of wat: een beetje suiker, wat melk.

Bij één telbaar ding gebruik je meestal een of geen, niet veel stoel: Er staat één stoel en Er staat geen stoel.

Genoeg: voldoende voor een doel

Genoeg betekent dat de hoeveelheid voldoende is. Bij een zelfstandig naamwoord staat het meestal ervoor. Het kan ook erachter staan: geld genoeg, tijd genoeg. Dan benadruk je vaak dat er echt voldoende is.

  • We hebben genoeg brood voor iedereen.
  • Zijn er genoeg kopjes voor de gasten?
  • Ik heb vandaag genoeg tijd om je te helpen.

Bij een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord staat genoeg erachter.

  • De kamer is groot genoeg voor vier personen.
  • Je spreekt duidelijk genoeg.
  • Is de koffie warm genoeg?

Zeg genoeg geld of geld genoeg, maar alleen goed genoeg. De plaats van genoeg hangt dus af van het woord dat het aanvult.

Te veel en te weinig

Met te geef je aan dat de hoeveelheid niet goed of niet passend is.

  • Er zit te veel suiker in de thee.
  • Ik heb te weinig stoelen voor alle gasten.
  • We besteden te veel tijd aan kleine problemen.
  • De plant krijgt te weinig licht.

Vergelijk de betekenis:

Zin Betekenis
Ik heb weinig tijd. Ik heb maar een kleine hoeveelheid tijd.
Ik heb genoeg tijd. Ik heb voldoende tijd voor wat ik wil doen.
Ik heb te weinig tijd. Ik heb niet genoeg tijd.
Ik heb veel tijd. Ik heb een grote hoeveelheid tijd.

Heel veel versterkt alleen de hoeveelheid: Er waren heel veel mensen. Heel weinig versterkt juist een kleine hoeveelheid: Er is heel weinig melk. Heel wat betekent vaak best veel: Dat kost heel wat tijd. Alleen te veel en te weinig zeggen dat de hoeveelheid een probleem is.

Quick check

Try one question now.

1
Er staan honderd fietsen buiten. Dat zijn fietsen.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Meer en minder vergelijken

Meer is de vergrotende trap van veel. Minder is de vergrotende trap van weinig.

  • Dit jaar hebben we meer klanten dan vorig jaar.
  • Ik drink minder koffie dan mijn collega.
  • Er komen meer dan twintig mensen.
  • De trein kost meer; de bus kost minder.
  • Met de nieuwe lamp gebruiken we minder energie.

Na een vergelijking gebruik je vaak dan. Als het tweede deel duidelijk is, kan het wegblijven: Wil je meer rijst? Nee, graag iets minder.

Zijn de hoeveelheden gelijk? Gebruik evenveel ... als of net zo veel ... als: We hebben evenveel stoelen als vorig jaar. Je kunt ook zeggen: We hebben net zo veel stoelen als vorig jaar.

In de kleine zaal zijn zestig stoelen. Dat is genoeg voor de kleine zaal, maar te weinig voor zeventig bezoekers. We hebben tien stoelen meer nodig.

Meer of nog?

Meer kan een vergelijking geven, maar ook betekenen dat iets doorgaat of opnieuw nodig is.

  • vergelijking: Pieter heeft meer vrije dagen dan Sara.
  • extra hoeveelheid: Mag ik nog wat meer soep?
  • met ontkenning: Ik wil geen koffie meer. De situatie stopt.

Let op het verschil tussen niet meer en nog niet:

  • De winkel is niet meer open. De winkel was open, maar nu niet.
  • De winkel is nog niet open. De winkel wordt later open.

De plaats in de zin

Het hoeveelheidswoord staat meestal direct voor het zelfstandig naamwoord.

  • Wij kopen morgen meer fruit.
  • Hij neemt weinig bagage mee.
  • Heeft u genoeg informatie ontvangen?
  • Ik denk dat we te weinig stoelen hebben.

Zonder zelfstandig naamwoord staat het zelfstandig in de zin: Ik heb genoeg, Zij wil minder en Wij nemen meer mee.

Veel en weinig kunnen ook bij een werkwoord staan. Dan zeggen ze hoeveel iemand iets doet: Hij werkt veel. / Zij slaapt weinig.

Controleer bij elke zin:

  1. Is de hoeveelheid groot, klein of voldoende?
  2. Is er een probleem? Kies dan te veel of te weinig.
  3. Vergelijk je twee hoeveelheden? Gebruik meer/minder ... dan bij een verschil en evenveel ... als bij gelijkheid.

Zo beschrijf je niet alleen hoeveel er is, maar ook of die hoeveelheid bij de situatie past.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

18 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 18 words and review them later.

Woorden om hoeveelheden mee te oefenen

18 words

Last updated October 11, 2026