A1 · BeginnerLesson 3 of 3

Vraagwoorden in eenvoudige vragen

Leer wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe, welk en welke gebruiken en maak eenvoudige Nederlandse vragen met de juiste woordvolgorde en korte antwoorden.

By the flumi team About 5 min read 12 vocabulary wordsGrammar learning path: Vragen stellen en instructies geven

Met een vraagwoord vraag je om specifieke informatie, bijvoorbeeld over een persoon, een ding, een plaats of een tijd. Het antwoord is meer dan alleen ja of nee.

Na deze les kun je:

  • een passend vraagwoord kiezen;
  • een eenvoudige vraag met de juiste woordvolgorde maken;
  • welk of welke voor een zelfstandig naamwoord gebruiken.

De belangrijkste vraagwoorden

Elk vraagwoord vraagt om een ander soort antwoord.

Vraagwoord Je vraagt naar... Voorbeeld
wie een persoon Wie is de docent?
wat een ding of een handeling Wat lees je?
waar een plaats Waar woont Amir?
wanneer een tijd of een moment Wanneer begint de les?
waarom een reden Waarom leer je Nederlands?
hoe een manier of een toestand Hoe gaat het?
hoeveel een aantal of een hoeveelheid Hoeveel appels koop je?

Met waar kun je ook naar vertrek en bestemming vragen. Vandaan en naartoe staan achteraan: Waar kom je vandaan? / Waar ga je naartoe?

Waar woon je? — Ik woon in Leiden.

Wanneer begint de film? — De film begint om acht uur.

Waarom ga je naar huis? — Ik heb een afspraak.

De woordvolgorde

In de meeste vragen staat eerst het vraagwoord. Daarna komen de persoonsvorm en het onderwerp.

Vraagwoord + persoonsvorm + onderwerp + rest?

Opbouw Vraag
waar + woon + jij Waar woon jij?
wanneer + werkt + Sara Wanneer werkt Sara?
waarom + leert + hij + Nederlands Waarom leert hij Nederlands?
hoe + gaat + u + naar het station Hoe gaat u naar het station?

Komt je of jij direct na de persoonsvorm? Dan verdwijnt de uitgang -t: Waar woon je?, niet Waar woont je?

Zet het onderwerp niet vóór de persoonsvorm in een gewone vraagwoordvraag.

✓ Waar woon jij?

✗ Waar jij woont?

Je hebt geen extra hulpwerkwoord nodig om deze vragen te maken. De persoonsvorm komt direct na het vraagwoord.

Wie en wat als onderwerp

Soms is wie of wat zelf het onderwerp van de zin. Dan komt er niet nog een onderwerp na de persoonsvorm.

Vraag Vraagwoord is... Antwoord
Wie belt? de persoon die belt Mijn moeder belt.
Wie woont hier? de persoon die hier woont Noor woont hier.
Wat ligt op de tafel? het ding op de tafel Het boek ligt daar.

Vergelijk:

  • Wie helpt mij? — Sara helpt mij. Wie is het onderwerp, dus er volgt geen extra onderwerp.
  • Wie help jij? — Ik help Amir. Jij is het onderwerp en staat na de persoonsvorm.

Welk en welke

Gebruik welk en welke als iemand uit mogelijkheden moet kiezen. Kijk naar het lidwoord van het zelfstandig naamwoord.

Woord met lidwoord Vraagwoord Voorbeeld
het boek welk Welk boek lees je?
het station welk Welk station is dichtbij?
de bus welke Welke bus neem je?
de kleur welke Welke kleur vind je mooi?
de schoenen welke Welke schoenen koop je?
soort of kenmerk wat voor (een) Wat voor boek lees je?

Gebruik welk/welke als je uit bekende mogelijkheden kiest. Met wat voor (een) vraag je naar de soort.

Bij een meervoud gebruik je altijd welke, omdat een meervoud het lidwoord de heeft.

Leer een nieuw zelfstandig naamwoord altijd met het lidwoord. Dan kun je later ook snel welk of welke kiezen.

Quick check

Try one question now.

1
is je nieuwe docent? — Meneer De Jong.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Combinaties met hoe en hoeveel

Hoe staat ook in enkele veelgebruikte combinaties.

  • Hoe laat begint de les? — Om negen uur.
  • Hoe oud is je broer? — Hij is zestien jaar.

Hoeveel is een apart vraagwoord voor een aantal of hoeveelheid.

  • Hoeveel kost het brood? — Het brood kost drie euro.
  • Hoeveel boeken heb je? — Ik heb vier boeken.

Let op: hoeveel schrijf je als één woord.

Een vraag beantwoorden

Geef precies de informatie waar het vraagwoord om vraagt.

  1. Bij wie noem je een persoon.
  2. Bij waar noem je een plaats.
  3. Bij wanneer noem je een tijd of een moment.
  4. Bij waarom geef je een reden: Ik heb een afspraak.
  5. Bij hoeveel noem je een aantal of een hoeveelheid.
  6. Bij waar kun je ook zeggen waar je vandaan komt of naartoe gaat: Ik kom uit Utrecht / Ik ga naar school.

Wie is dat? — Dat is mijn buurman.

Waar is de sleutel? — De sleutel ligt in de tas.

Wanneer kom je? — Ik kom morgen.

Kort samengevat

  • Kies een vraagwoord dat past bij de informatie die je zoekt.
  • Gebruik meestal vraagwoord + persoonsvorm + onderwerp.
  • Staat wie of wat zelf als onderwerp? Voeg dan geen tweede onderwerp toe.
  • Gebruik welk bij een enkelvoudig het-woord en welke bij een de-woord of een meervoud.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

12 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 12 words and review them later.

Vraagwoorden voor mensen, dingen, plaats en tijd

12 words

Last updated October 11, 2026