B1 · IntermediateLesson 1 of 3

Werkwoordspelling van stam tot verleden tijd

Verbind de Nederlandse stamregels met persoonsvormen en verleden tijd, en voorkom fouten met d, t en dt door elke werkwoordsvorm systematisch te bepalen.

By the flumi team About 6 min read 23 vocabulary wordsGrammar learning path: Spelling stap voor stap controleren

Bij Nederlandse werkwoordspelling hoor je niet altijd welke letter je moet schrijven. Word en wordt klinken hetzelfde, net als gebeurt en gebeurd. Een vaste analyse — infinitief, stam, onderwerp en tijd — voorkomt giswerk.

Na deze les kun je:

  • de praktische stam van regelmatige werkwoorden bepalen;
  • persoonsvormen in de tegenwoordige tijd spellen;
  • -te/-ten of -de/-den in de verleden tijd kiezen;
  • persoonsvormen onderscheiden van voltooide deelwoorden.

Begin bij de infinitief

De infinitief is de vorm die meestal op -en eindigt: werken, leven, reizen. Voor de stam haal je -en weg en pas je de gewone Nederlandse spellingregels toe.

Infinitief Vorm zonder -en Geschreven stam
werken werk werk
maken mak maak
vullen vull vul
leven lev leef
reizen reiz reis

Een lange klinker blijft lang: maken → maak. Een dubbele medeklinker wordt enkel: vullen → vul. Aan het einde van een Nederlands woord schrijf je geen v of z: leven → leef en reizen → reis.

Voor de verleden tijd heb je soms de medeklinker vóór -en uit de infinitief nodig. Bij leven zie je daar een v, hoewel de geschreven stam leef is. Daarom is het leefde, niet leefte.

De tegenwoordige tijd

Bij regelmatige werkwoorden bouw je de persoonsvorm op met de stam.

Onderwerp Vorm Voorbeeld met werken
ik stam ik werk
jij/je, u stam + t jij werkt, u werkt
hij/zij/het stam + t zij werkt
wij/jullie/zij infinitief wij werken

Eindigt de stam al op t, dan voeg je geen tweede t toe: praten → praat → hij praat. Eindigt de stam op d, dan krijg je wel dt: vinden → vind → zij vindt.

Bij jij/je vervalt de toegevoegde t wanneer de persoonsvorm vóór het onderwerp staat:

  • Jij wordt morgen gebeld.
  • Word jij morgen gebeld?
  • Morgen word je gebeld.

Bij u blijft de t staan: Wordt u morgen gebeld?

Vind de persoonsvorm

Verander de zin van tijd of van enkelvoud naar meervoud. Het werkwoord dat mee verandert, is de persoonsvorm.

  • De buurman werkt in de tuin wordt in de verleden tijd De buurman werkte in de tuin.
  • De monteur repareert de fiets wordt De monteurs repareren de fiets.

Een zin kan meer werkwoordsvormen bevatten, maar in een gewone hoofdzin is er één persoonsvorm: De monteur heeft de fiets gerepareerd. Heeft verandert met tijd en onderwerp; gerepareerd is een voltooid deelwoord.

Stel eerst de grammaticale vraag en schrijf pas daarna de uitgang. Alleen luisteren is bij d, t en dt niet betrouwbaar.

De regelmatige verleden tijd

Voor de verleden tijd kies je -te/-ten of -de/-den. Kijk naar de laatste medeklinkerklank van de infinitief vlak vóór -en, niet naar een eventueel aangepaste geschreven stam.

Valt die laatste klank in de groep van 't ex-kofschip — t, x, k, f, s, ch, p — dan gebruik je -te/-ten. In andere gevallen gebruik je -de/-den.

Infinitief Laatste klank vóór -en Verleden tijd
werken k werkte, werkten
missen s miste, misten
lachen ch lachte, lachten
faxen s (geschreven x) faxte, faxten
praten t praatte, praatten
bellen l belde, belden
antwoorden d antwoordde, antwoordden
leven v leefde, leefden
reizen z reisde, reisden
verhuizen z verhuisde, verhuisden

De letters v en z veranderen in de geschreven stam in f en s, maar voor de uitgang kijk je terug naar de klank in leven, reizen en verhuizen. Daarom is het leefde, reisde en verhuisde, maar faxte.

De regel met 't ex-kofschip geldt voor regelmatige werkwoorden. Sterke werkwoorden moet je apart leren: lopen → liep, zien → zag, gaan → ging, schrijven → schreef.

Quick check

Try one question now.

1
Ik elke ochtend een planning. (maken)

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Engelse werkwoorden in Nederlandse zinnen

Ook geleende werkwoorden krijgen Nederlandse uitgangen. Neem de stam die in het Nederlands wordt gebruikt en let op de laatste uitgesproken klank.

  • mailen → ik mail → zij mailde → gemaild
  • downloaden → ik download → hij downloadde → gedownload
  • appen → ik app → wij appten → geappt
  • streamen → ik stream → zij streamde → gestreamd

Soms ziet een vorm er ongewoon uit, maar de dubbele letter bewaart de stam: downloadde bevat de stam download plus -de.

Persoonsvorm of voltooid deelwoord?

Een voltooid deelwoord hoort vaak bij hebben, zijn of worden. Het krijgt bij een regelmatig werkwoord aan het einde -d of -t volgens dezelfde klankgroep.

  • De cursus verandert elk jaar. — persoonsvorm, stam + t
  • De cursus is veranderd. — voltooid deelwoord, veranderd met d
  • De fout gebeurt opnieuw. — persoonsvorm
  • Wat is er gebeurd? — voltooid deelwoord

Maak het deelwoord langer als controle: de veranderde cursus laat de d horen. Deze verlengproef helpt, maar bepaal eerst welke werkwoordsvorm je nodig hebt.

Een hulpwerkwoord is een sterk signaal, geen volledige regel. In Hij wordt boos is wordt zelf de persoonsvorm en boos geen deelwoord. Analyseer de functie van elk woord.

Een betrouwbaar stappenplan

  1. Zoek de infinitief.
  2. Bepaal de geschreven stam.
  3. Zoek onderwerp en persoonsvorm.
  4. Bepaal tegenwoordige of verleden tijd.
  5. Kies in de tegenwoordige tijd stam, stam + t of infinitief.
  6. Kies in de regelmatige verleden tijd -te/-ten of -de/-den.
  7. Controleer of de vorm misschien een voltooid deelwoord is.

Zin: Vorige week ... de gemeente dat het plein is ... . (melden / veranderen)

Analyse: Vorige week vraagt de verleden tijd: meldde. Na is staat een voltooid deelwoord: veranderd.

Uitkomst: Vorige week meldde de gemeente dat het plein is veranderd.

Werkwoordspelling wordt zo geen geheugenproef, maar een reeks beslissingen die je kunt controleren.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

23 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 23 words and review them later.

Werkwoorden om d, t en dt te oefenen

23 words

Last updated October 11, 2026