Question 1
Een hotelgast vraagt beleefd om een nieuwe handdoek: _____
Options: Breng een schone handdoek., Zou u een schone handdoek kunnen brengen?, Je brengt maar een schone handdoek.
Kies de formulering die de bedoelde vriendelijke toon het duidelijkst weergeeft.
Question 1
Een hotelgast vraagt beleefd om een nieuwe handdoek: _____
Options: Breng een schone handdoek., Zou u een schone handdoek kunnen brengen?, Je brengt maar een schone handdoek.
Question 2
Noor geeft haar huisgenoot toestemming om haar fiets te lenen: _____
Options: Wil je mijn fiets even repareren?, Kunt u mijn fiets alstublieft lenen?, Neem mijn fiets maar mee.
Question 3
De assistent stelt een nerveuze bezoeker gerust: _____ u maar even; u bent zo aan de beurt.
Options: Wacht, Wachten, Wachtte te
Question 4
Een docent vraagt een cursist om één zin opnieuw te lezen: _____
Options: Lees die zin nu opnieuw., Kun je die zin even opnieuw lezen?, Kunt u alsjeblieft je zin lezen?
Question 5
Een manager vraagt om een analyse die twee dagen werk kost. Welke vraag is passend? _____
Options: Maak deze analyse even voor vrijdag., Doe die analyse maar., Zou je deze analyse voor vrijdag kunnen maken?
Question 6
Een medewerker wijst een klant vriendelijk de juiste stoel aan: _____ u maar zitten.
Options: Gaat, Ga, Gaan
Question 7
Sara vraagt haar partner om kort te bellen: Wil je _____ bellen?
Options: even me, me even, ik even
Question 8
Een treinreiziger spreekt een onbekende conducteur aan: _____
Options: Kun je alstublieft mijn kaartje controleren?, Controleer mijn kaartje maar., Kunt u alstublieft mijn kaartje controleren?
Question 9
De gastheer ziet dat zijn bezoek nog staat. Hij zegt uitnodigend: _____ u maar plaats.
Options: Neemt, Neem, Nemen
Question 10
Een patiënt vraagt de assistente formeel om één gegeven te wijzigen: _____
Options: Pas je mijn adres alstublieft aan?, Wilt u mijn adres alstublieft even aanpassen?, Verander mijn adres maar nu.
Question 11
Een begeleider moedigt een aarzelende cursist aan: _____ het maar; ik luister.
Options: Vertelt je, Vertellen je, Vertel
Question 12
Een collega vraagt om een snelle blik op een e-mail: _____
Options: Kun je even naar deze e-mail kijken?, Kunt u alsjeblieft naar je e-mail kijken?, Kijk naar deze e-mail maar nu.
Question 13
De medewerker spreekt één klant formeel aan: _____ u maar even mee.
Options: Kijk, Kijkt, Kijken
Question 14
Een vriend vraagt: Kun je het raam alsjeblieft _____?
Options: dichtdoet, doe dicht, dichtdoen
Question 15
Een klant wil een medewerker niet bevelen maar echt om hulp vragen: _____
Options: Kunt u mij hiermee helpen?, U helpt mij hiermee., Help mij hiermee maar.
Practice Toon en situatie with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Toon en situatie in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.