Fill in the blank

Aan het met een infinitief

Kies de juiste vorm voor een lopende handeling.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

Ik ben een tijdschrift _____.

Options: aan het lezen, aan te lezen, aan het leest

Question 2

Je bent soep aan het _____.

Options: maakt, maken, te maken

Question 3

U _____ bij de ingang op de bus aan het wachten.

Options: is, zijn, bent

Question 4

Sara is een foto _____.

Options: aan het bekijken, aan het bekijkt, aan het te bekijken

Question 5

Wij zijn onze tassen _____.

Options: aan het pakken in, aan het inpakken, aan het in te pakken

Question 6

De meisjes _____ een tent aan het bouwen.

Options: is, bent, zijn

Question 7

Ik ben de kamer aan het _____.

Options: opruimen, ruim op, op te ruimen

Question 8

Lina is in de tuin _____.

Options: te studeren, aan het studeren, aan het studeert

Question 9

We zijn de voordeur _____.

Options: geschilderd, te schilderen, aan het schilderen

Question 10

_____ je de tafel aan het dekken?

Options: Ben, Bent, Is

Question 11

Op dit moment is de bakker het brood _____.

Options: aan het snijdt, aan het snijden, aan het te snijden

Question 12

Ik ben _____; ik leg alleen het probleem uit.

Options: geen aan het klagen, aan het niet klagen, niet aan het klagen

Question 13

Toen de bel ging, _____ ik mijn haar aan het wassen.

Options: was, ben, waren

Question 14

Wij _____ een spel aan het spelen toen het licht uitging.

Options: was, waren, zijn

Question 15

Elke ochtend _____ ik naar het station.

Options: wandelen, aan het wandelen, wandel

Practice Aan het met een infinitief with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Aan het met een infinitief in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.