Build the sentence

Bouw zinnen over lopende handelingen

Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.

0 / 11 sentences built0%

Question 1

Bouw de zin over wat nu bezig is: _____

Options: Ik ben aan het koken., is, te

Question 2

Bouw de zin met een voorwerp vóór aan het: _____

Options: zijn, Noor is een e-mail aan het schrijven., schrijft.

Question 3

Bouw de zin met een scheidbaar werkwoord: _____

Options: is, opruimt., Wij zijn de kamer aan het opruimen.

Question 4

Bouw de vraag naar de lopende handeling: _____

Options: Ben je het eten aan het maken?, Bent, te

Question 5

Bouw de ontkenning van een lopende handeling: _____

Options: is, Ik ben niet aan het klagen., geen

Question 6

Bouw de zin die een onbepaalde taak ontkent: _____

Options: bent, maakt., Zij is geen huiswerk aan het maken.

Question 7

Bouw de vraag met bezig: _____

Options: Waar bent u mee bezig?, Ben, met

Question 8

Bouw de achtergrondhandeling in het verleden: _____

Options: was, Wij waren aan het eten., eet.

Question 9

Bouw de zin over een lopende handeling in de toekomst: _____

Options: zal, werkt., Morgen ben ik aan het werken.

Question 10

Bouw de gewone gewoonte, niet een activiteit die nu loopt: _____

Options: Elke dag fiets ik naar mijn werk., fietst

Question 11

Bouw een mededelende zin waarin de taak centraal staat: _____

Options: is, Ik ben bezig met de reparatie., te

Practice Bouw zinnen over lopende handelingen with this interactive sentence-building exercise of 11 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw zinnen over lopende handelingen in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.