Question 1
Ik heb een nieuwe fiets. _____ fiets staat voor het huis.
Options: Mijn, Jouw, Zijn
Kies het bezittelijke voornaamwoord dat bij de genoemde bezitter en de situatie past.
Question 1
Ik heb een nieuwe fiets. _____ fiets staat voor het huis.
Options: Mijn, Jouw, Zijn
Question 2
Mijn vriend zoekt zijn telefoon. Ik vraag hem: "Waar is _____ telefoon?"
Options: jij, je, jou
Question 3
Deze blauwe jas is van mij. Is de groene jas _____ jas of die van Noor?
Options: jij, jou, jouw
Question 4
De baliemedewerker zegt beleefd tegen de klant: "Ik zie hier _____ afspraak voor tien uur."
Options: uw, jouw, hun
Question 5
Omar heeft een jas gekocht. _____ jas hangt nu in de gang.
Options: Haar, Zijn, Hun
Question 6
Noor kan haar sleutel niet vinden. _____ sleutel ligt nog op tafel.
Options: Zijn, Hun, Haar
Question 7
De kinderen hebben een hond. _____ hond heet Max.
Options: Hun, Zijn, Haar
Question 8
Ik praat met Sam en Vera over de les die zij volgen: "Wanneer begint _____ les?"
Options: hun, jullie, onze
Question 9
Mijn collega en ik werken samen in één kantoor. _____ kantoor ligt naast de receptie.
Options: Onze, Mijn, Ons
Question 10
Mijn collega en ik hebben samen een afspraak. _____ afspraak begint om negen uur.
Options: Onze, Ons, Hun
Question 11
Mijn zus en ik nemen alle koffers mee. _____ koffers staan al bij de deur.
Options: Ons, Onze, Jullie
Question 12
Wij hebben een klein huisje aan zee. _____ huisje heeft een blauwe deur.
Options: Onze, Hun, Ons
Question 13
Daan komt binnen. Hij zet _____ naast zijn stoel.
Options: zijn nieuwe tas, zijn de nieuwe tas, hem nieuwe tas
Question 14
Lotte gaat naar de bibliotheek. Ze brengt _____ terug.
Options: haar dik boek, haar dikke boek, het haar dikke boek
Question 15
Mijn buren hebben één kind. _____ kind gaat volgend jaar naar school.
Options: Hun het, Hen, Hun
Practice Van wie is het? with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Van wie is het? in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.