Question 1
Wij kopen samen een huis. Morgen krijgen we de sleutel van _____.
Options: ons huis, onze huis, het ons huis
Kies de juiste woordgroep. Let op ons of onze en laat de, het of een weg na een bezittelijk voornaamwoord.
Question 1
Wij kopen samen een huis. Morgen krijgen we de sleutel van _____.
Options: ons huis, onze huis, het ons huis
Question 2
Mijn broer en ik delen één auto. Op zaterdag wassen we _____.
Options: ons auto, onze auto, de onze auto
Question 3
Wij hebben de boeken voor de cursus al gekocht. Morgen nemen we _____ mee.
Options: ons boeken, de onze boeken, onze boeken
Question 4
We varen elke zomer met een klein bootje. Dit jaar schilderen we _____ groen.
Options: ons bootje, onze bootje, het ons bootje
Question 5
Mijn vrienden en ik volgen les op dezelfde school. _____ ligt naast de bibliotheek.
Options: Ons school, Onze school, De onze school
Question 6
Wij hebben één kind. Morgen begint de eerste schooldag van _____.
Options: het ons kind, onze kind, ons kind
Question 7
We halen de kinderen na de les op. _____ wachten bij de ingang.
Options: Onze kinderen, Ons kinderen, De onze kinderen
Question 8
Mijn team en ik werken samen. We zijn trots op _____ werk.
Options: onze, ons, het ons
Question 9
Ik ga weg. Bij de deur staat _____ al klaar.
Options: mij tas, de mijn tas, mijn tas
Question 10
Dit is mijn boek. Is het boek daarnaast _____ of dat van Noor?
Options: jouw boek, het jouw boek, jou boek
Question 11
De medewerker zegt beleefd tegen de reiziger: "Wilt u _____ laten zien?"
Options: het uw paspoort, uw paspoort, u paspoort
Question 12
Omar pakt de jas die van hem is. Hij hangt _____ daarna netjes op.
Options: de zijn jas, haar jas, zijn jas
Question 13
Lotte zoekt de sleutel die van haar is. _____ ligt onder een tijdschrift.
Options: Haar sleutel, De haar sleutel, Zijn sleutel
Question 14
Sam en Noor hebben samen les. Ik vraag hun naar hun docent: "Hoe heet _____?"
Options: hun leraar, jullie leraar, de jullie leraar
Question 15
De buren komen thuis met hun boodschappen. _____ zijn helemaal nat.
Options: De hun tassen, Haar tassen, Hun tassen
Practice Ons, onze en geen lidwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Ons, onze en geen lidwoord in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.