Question 1
We zoeken een _____ alarmsysteem.
Options: werkend, werkende, gewerkt, werken
Kies de vorm die correct bij het zelfstandig naamwoord past.
Question 1
We zoeken een _____ alarmsysteem.
Options: werkend, werkende, gewerkt, werken
Question 2
Het _____ alarmsysteem gaf direct een signaal.
Options: werkend, werkende, gewerkt, werkenden
Question 3
De _____ reizigers stonden al op het perron.
Options: gewacht, wachtend, wachtende, wachtten
Question 4
Een _____ pakket werd bij de buren bezorgd.
Options: beschadigde, beschadigen, beschadigend, beschadigd
Question 5
De _____ winkel opent morgen weer.
Options: gesloten, geslotene, gesloot, sluitende
Question 6
De gisteren _____ factuur bevatte een fout.
Options: verstuurd, verstuurde, verstuurt, verstuurden
Question 7
De _____ kinderen luisterden naar het verhaal.
Options: geslapen, slapend, slapende, sliepen
Question 8
Het _____ contract ligt bij de notaris.
Options: ondertekend, ondertekent, ondertekenend, ondertekende
Question 9
Een snel _____ organisatie heeft duidelijke afspraken nodig.
Options: groeiende, gegroeid, groeiend, groeide
Question 10
De door de monteur _____ fiets rijdt weer soepel.
Options: gerepareerd, gerepareerde, reparerende, repareerde
Question 11
Op de foto staat een _____ kind naast twee _____ ouders.
Options: lachende, gelachen, lachend, lachte, lachten
Question 12
De _____ verslagen en de gisteren _____ brieven zijn in het archief opgeslagen.
Options: geschrevende, schrijvende, geschreven, geschreefde, verstuurd, verstuurt, verstuurde, verstuurden
Practice Deelwoorden als eigenschap with this interactive fill-in-the-blank exercise of 12 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Deelwoorden als eigenschap in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.