Question 1
Een school noemt een kast voor het ruilen van boeken een ‘boekenruilkast’. Dit woord is gevormd door _____.
Options: afleiding met een voorvoegsel, samenstelling, afleiding met een achtervoegsel
Kies de vorm of omschrijving die past bij de genoemde betekenis en woordbouw.
Question 1
Een school noemt een kast voor het ruilen van boeken een ‘boekenruilkast’. Dit woord is gevormd door _____.
Options: afleiding met een voorvoegsel, samenstelling, afleiding met een achtervoegsel
Question 2
We zoeken een naam voor een tas waarin je zwemspullen bewaart. In ‘zwemtas’ is de kern _____.
Options: zwem, zwem en tas samen, tas
Question 3
Bewoners krijgen een vaste plek om zaden te ruilen. _____ zadenruilpunt gaat zaterdag open.
Options: Het, De, Die
Question 4
Een centrum noemt zijn ruimte voor danslessen een ‘danszaal’. Het heeft nu één danszaal; volgend jaar heeft het twee _____.
Options: danszaals, danszalen, dansenzalen
Question 5
Tijdens een ‘telefoonpauze’ blijven alle telefoons uit, zodat deelnemers ongestoord kunnen praten. De relatie tussen telefoon en pauze is hier _____.
Options: doel: een pauze om te telefoneren, onderwerp: een pauze waarin men over telefoons praat, afwezigheid: een pauze zonder telefoongebruik
Question 6
De gemeente organiseert een ‘verkeersgesprek’: deelnemers bespreken uitsluitend de verkeersproblemen in hun wijk. Het linkerdeel noemt hier _____.
Options: het onderwerp van het gesprek, de deelnemers aan het gesprek, de plaats van het gesprek
Question 7
De ‘studentenfotowedstrijd’ is uitsluitend bedoeld voor studenten. Zij mogen ook foto's van anderen insturen. Volgens deze omschrijving noemt ‘studenten’ _____.
Options: de makers van alle foto's, de toegelaten deelnemers, de personen op alle foto's
Question 8
In de bijlage ontbreken twee verplichte onderdelen. De bijlage is dus _____.
Options: hervolledig, volledigloos, onvolledig
Question 9
De redactie gaat de tekst opnieuw schrijven. Het werkwoord met een passend voorvoegsel is _____.
Options: herschrijven, onschrijven, verschrijven
Question 10
De hoes kan in de wasmachine worden gereinigd en bevat geen waslaag. Volgens het etiket is de hoes _____.
Options: wasber, wasbaar, wasb aar
Question 11
Op deze denkbeeldige wereldkaart zijn alle landsgrenzen verdwenen. De wereld wordt hier letterlijk voorgesteld als _____.
Options: grensachtig, grensbaar, grenzeloos
Question 12
Het mengsel bevat gel en heeft dezelfde dikke structuur. Het mengsel voelt daardoor _____ aan.
Options: gelachtig, gelloos, gelbaar
Question 13
Hij vertelt altijd de waarheid, ook als dat moeilijk is. Zijn _____ wordt door iedereen gewaardeerd.
Options: eerlijking, eerlijkheid, eerlijker
Question 14
Van ‘betalen’ maken we met een achtervoegsel een zelfstandig naamwoord voor de handeling of het resultaat: de _____ is geregistreerd.
Options: betaalbaarheid, betaler, betaling
Question 15
Vorm gangbare persoonsnamen: iemand die een fiets huurt is de _____; iemand die over de prijs onderhandelt is de _____.
Options: huurder, huuring, huurbaarheid, onderhandeling, onderhandelbaarheid, onderhandelaar
Practice Nieuwe woorden: bouw en betekenis with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Nieuwe woorden: bouw en betekenis in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.