Question 1
Er hangen donkere wolken. Het _____.
Options: gaat regenen, gaan regenen, gaat regent
Kies de juiste vorm of woordvolgorde in zinnen over plannen, beweging en de toekomst.
Question 1
Er hangen donkere wolken. Het _____.
Options: gaat regenen, gaan regenen, gaat regent
Question 2
Het licht in de zaal wordt donker. De film gaat zo _____.
Options: begint, beginnen, begonnen
Question 3
Het kind trekt een verdrietig gezicht. Het _____.
Options: gaan huilen, gaat huilt, gaat huilen
Question 4
Sara heeft een nieuwe woning gevonden. Ze _____.
Options: gaat volgende maand verhuizen, gaan volgende maand verhuizen, gaat volgende maand verhuist
Question 5
Ze hebben de trouwdatum al gekozen. Ze _____.
Options: gaat trouwen, gaan trouwen, gaan trouwt
Question 6
Welke zin gebruikt gaan alleen als werkwoord van beweging? _____
Options: Ik ga op school studeren., Ik ga een cursus volgen., Ik ga naar school.
Question 7
Welke zin gebruikt gaan als hulpwerkwoord voor een toekomstige handeling? _____
Options: Ik ga op school studeren., Ik ga naar school., Ik ging naar school.
Question 8
Ik werk vandaag thuis. Morgen _____ naar kantoor.
Options: gaan ik, ga ik, ik ga
Question 9
De afspraak staat al in mijn agenda. Ik _____.
Options: ga morgen een afspraak heeft, ga morgen een afspraak heb, heb morgen een afspraak
Question 10
Volgens de dienstregeling _____.
Options: vertrekt de trein om 08.15 uur, gaat de trein om 08.15 uur vertrekt, gaan de trein om 08.15 uur vertrekken
Question 11
Ik weet het niet zeker, maar het _____.
Options: gaat morgen waarschijnlijk koud is, zal morgen waarschijnlijk koud zijn, zal morgen waarschijnlijk koud is
Question 12
_____ jullie morgen thuiswerken?
Options: Gaat, Ga, Gaan
Question 13
_____ Noor volgend jaar verhuizen?
Options: Gaat, Ga, Gaan
Question 14
De verf is te duur, dus wij _____.
Options: niet gaan die muur schilderen, gaan die muur niet schilderen, gaan die muur niet schildert
Question 15
Je kunt morgen langskomen. Morgen _____ thuis.
Options: zal ik, ik ben, ben ik
Practice Aanwijzingen en toekomstkeuzes with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Aanwijzingen en toekomstkeuzes in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.