Question 1
Bouw de zin over een persoonlijk plan: _____
Options: Vanavond ga ik pasta koken., gaat, kookt.
Tik de woorden in de juiste volgorde en laat woorden die niet in de zin horen weg.
Question 1
Bouw de zin over een persoonlijk plan: _____
Options: Vanavond ga ik pasta koken., gaat, kookt.
Question 2
Bouw de zin over Noors plan: _____
Options: gaan, Noor gaat een cursus volgen., volgt.
Question 3
De verf is te duur. Bouw de ontkenning van het gezamenlijke plan: _____
Options: gaat, schildert., Wij gaan niet schilderen.
Question 4
Donkere wolken zijn zichtbaar. Bouw de voorspelling op basis van dit teken: _____
Options: Kijk, het gaat regenen., gaan, regent.
Question 5
Er staan tranen in zijn ogen. Bouw de zin over wat bijna begint: _____
Options: gaan, Het kind gaat bijna huilen., huilt.
Question 6
Ze heeft een nieuwe woning gevonden. Bouw de komende verandering: _____
Options: gaan, verhuist., Sara gaat binnenkort verhuizen.
Question 7
Gebruik gaan als werkwoord van beweging, zonder tweede werkwoord: _____
Options: Morgen ga ik naar Utrecht., gaat, gegaan
Question 8
Bouw de vraag naar het kookplan van meerdere personen: _____
Options: Gaat, Gaan jullie pasta koken?, kookt?
Question 9
Bouw de zin over het plan voor de volgende dag: _____
Options: gaan, thuiswerkt., Noor gaat morgen thuiswerken.
Question 10
Bouw een toekomstige toestand met het presens: _____
Options: Morgen ben ik thuis., bent, ga
Practice Bouw de toekomst met gaan with this interactive sentence-building exercise of 10 questions. Tap the words into the correct order to build each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every sentence.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Bouw de toekomst met gaan in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.