Question 1
Zijn _____ twee stoelen hier naast mij nog vrij? Dan komen we erbij zitten.
Options: die, deze, dit
Kies het juiste aanwijzende woord of de juiste woordgroep.
Question 1
Zijn _____ twee stoelen hier naast mij nog vrij? Dan komen we erbij zitten.
Options: die, deze, dit
Question 2
Zijn _____ boeken op de hoogste plank van jou? Ik kan er niet bij.
Options: deze, dat, die
Question 3
Mama, _____ kinderen hier naast me zitten bij mij in de klas.
Options: dat, dit, deze
Question 4
Van wie zijn _____ schoenen bij de deur aan de andere kant van de kamer?
Options: deze, die, dit
Question 5
Kun jij _____ ramen vlak naast mij openen?
Options: deze, die, dit
Question 6
— In de keuken staan twee tafels. — We mogen _____ tafels niet gebruiken.
Options: dit, die, dat
Question 7
Zie je _____ huizen ver weg op de heuvel?
Options: deze, dat, die
Question 8
Zijn _____ jassen hier over mijn arm van jullie?
Options: die, dat, deze
Question 9
Ik lees nu dit boek, maar _____ boeken hier op mijn bureau zijn voor school.
Options: deze, die, dit
Question 10
— Mijn buren hebben twee kinderen. — Ken jij _____ kinderen ook?
Options: dat, die, dit
Question 11
Welke planten geef je water? — _____.
Options: Dat hier, Dit hier, Deze hier
Question 12
Gaan _____ treinen daar naar Utrecht?
Options: die, deze, dat
Question 13
_____ glazen in mijn handen zijn nog vuil. Waar kan ik ze neerzetten?
Options: Die, Deze, Dit
Question 14
Welke fietsen zijn van jullie? — _____.
Options: Die daar, Dit daar, Dat daar
Question 15
— Ik heb twee foto’s van onze vakantie. — Staan je ouders op _____ foto’s?
Options: dat, dit, die
Practice Meerdere dingen aanwijzen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Meerdere dingen aanwijzen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.