Deze, die, dit en datΒ aanwijzen
Leer deze, die, dit en dat kiezen met de-woorden, het-woorden, afstand en meervoud, en wijs mensen en dingen duidelijk aan in eenvoudige zinnen.
Met deze, die, dit en dat wijs je een persoon, een dier of een ding aan. Je kiest het woord met twee vragen: is het dichtbij of verder weg, en hoort er de of het bij?
Na deze les kun je:
- deze, die, dit en dat voor een zelfstandig naamwoord zetten;
- kiezen tussen dichtbij en verder weg;
- de juiste vorm gebruiken bij een de-woord, een het-woord en een meervoud.
Het basisverschil
Gebruik deze en dit voor iets dicht bij de spreker. Gebruik die en dat voor iets verder weg.
| Afstand | De-woord | Het-woord |
|---|---|---|
| dichtbij | deze | dit |
| verder weg | die | dat |
Die en dat kunnen ook verwijzen naar iets dat al genoemd of bekend is: Ik heb dat boek al gelezen. / Die film vond ik leuk.
β Ken je de film Finding Nemo?
β Ja, die film vond ik leuk!
Hier verwijst die naar de film die net genoemd is. Het gaat niet om afstand.
De fiets staat naast mij: deze fiets.
Het boek ligt naast mij: dit boek.
De fiets staat aan de overkant: die fiets.
Het boek ligt daar op de tafel: dat boek.
Denk aan twee stappen: kies eerst de of het en kijk daarna naar de afstand.
Deze en die bij de-woorden
Een de-woord krijgt deze als het dichtbij is en die als het verder weg is. Het aanwijzende woord komt direct voor het zelfstandig naamwoord.
| Woord met lidwoord | Dichtbij | Verder weg |
|---|---|---|
| de fiets | deze fiets | die fiets |
| de jas | deze jas | die jas |
| de tafel | deze tafel | die tafel |
| de vrouw | deze vrouw | die vrouw |
- Deze jas is van mij.
- Zie je die vrouw bij de deur?
- Ik koop deze tafel, niet die tafel daar.
Je gebruikt geen extra lidwoord. Zeg dus deze fiets, niet deze de fiets.
Dit en dat bij het-woorden
Een het-woord krijgt dit als het dichtbij is en dat als het verder weg is.
Verkleinwoorden zijn in het enkelvoud altijd het-woorden: het jasje, het meisje.
| Woord met lidwoord | Dichtbij | Verder weg |
|---|---|---|
| het boek | dit boek | dat boek |
| het jasje | dit jasje | dat jasje |
Vergelijk: deze jas β dit jasje. Bij de jas kies je deze, maar bij het jasje kies je dit.
- Dit boek is leuk.
- Dat huis aan het einde van de straat is oud.
- Kun je dit raam openen?
Kijk altijd naar het lidwoord van het zelfstandig naamwoord.
β dit boek en deze fiets
β deze boek en dit fiets
Zonder zelfstandig naamwoord
Als je iemand of iets voorstelt met dit is of dat is, gebruik je dit of dat, ook als daarna een de-woord komt.
- Dit is mijn zus.
- Dat is mijn fiets.
- Wat is dit?
Bij meer personen of dingen gebruik je dit zijn of dat zijn.
- Dit zijn mijn ouders.
- Dat zijn mijn boeken.
β Welke fiets is van jou?
β Die daar.
β Welk boek is van jou?
β Dat daar.
Bij Dat is mijn fiets wijs je aan wat iets is. Bij Die daar kies je een fiets: die verwijst naar de fiets.
Je hoeft het zelfstandig naamwoord niet te herhalen. Bij een de-woord gebruik je deze of die. Bij een het-woord gebruik je dit of dat. Bij een meervoud gebruik je deze of die.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Meervoud gebruikt deze of die
In het meervoud krijgen zelfstandige naamwoorden het lidwoord de. Daarom gebruik je bij een meervoud altijd deze of die. Het oorspronkelijke enkelvoud kan een de-woord of een het-woord zijn.
| Enkelvoud | Meervoud dichtbij | Meervoud verder weg |
|---|---|---|
| de stoel | deze stoelen | die stoelen |
| het boek | deze boeken | die boeken |
| het kind | deze kinderen | die kinderen |
Gebruik bij een meervoud dus nooit dit of dat voor het zelfstandig naamwoord.
Zo kies je de juiste vorm
Volg deze stappen:
- Is het één ding of zijn het er meer?
- Bij een meervoud kies je deze dichtbij of die verder weg.
- Bij een enkelvoud zoek je het lidwoord op in een woordenlijst of woordenboek: de of het. Leer het lidwoord altijd samen met het woord.
- Kies bij een de-woord deze/die en bij een het-woord dit/dat.
- Controleer de afstand vanuit de situatie. Verwijs je naar iets dat al genoemd of bekend is? Dan kun je ook die of dat gebruiken.
Je houdt het glas in je hand. Het woord is het glas en het is dichtbij. Je zegt: dit glas.
De schoenen staan bij de deur aan de andere kant van de kamer. Schoenen is een meervoud en ze zijn verder weg. Je zegt: die schoenen.
Kort samengevat
| Kies op basis van | Dichtbij | Verder weg |
|---|---|---|
| enkelvoud met de | deze | die |
| enkelvoud met het | dit | dat |
| meervoud | deze | die |
Onthoud: voor een zelfstandig naamwoord horen deze/die bij de-woorden en meervouden; dit/dat horen bij enkelvoudige het-woorden.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
19 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known β or save it to study later.
Save any of these 19 words and review them later.
Aanwijzen met deze, die, dit en dat
19 wordsLast updated October 11, 2026