Question 1
Bij de kassa ligt één tasje. _____ tasje is rood.
Options: De, Het, Deze
Kies de juiste vorm met het passende lidwoord of meervoud.
Question 1
Bij de kassa ligt één tasje. _____ tasje is rood.
Options: De, Het, Deze
Question 2
Voor de vakantie stopt Noor twee _____ in haar tas.
Options: boekjes, boekje, boekjen
Question 3
Eén kind zit op het stoeltje. De andere kinderen zitten op _____.
Options: het stoeltje, het stoeltjes, de stoeltjes
Question 4
Ik bedoel niet de grote tafel. _____ tafeltje bij het raam is voor Sam.
Options: Het, De, Deze
Question 5
In de leeshoek staan drie kleine tafels. De kinderen gebruiken _____.
Options: de tafeltje, het tafeltjes, de tafeltjes
Question 6
De poppenkamer heeft maar één ingang: _____ aan de voorkant.
Options: de deurtje, het deurtje, het deur
Question 7
Eén touwtje is te kort, dus we knopen twee _____ aan elkaar.
Options: touwtjes, touwtje, touwen
Question 8
Om de kleine doos zit _____.
Options: de touwtje, het touwtje, de touwtjes
Question 9
Noor koopt twee kaartjes voor de bus. Ze stopt _____ in haar jas.
Options: het kaartje, het kaartjes, de kaartjes
Question 10
Mijn buurman laat één briefje achter. Op de koelkast hangt nu _____.
Options: het briefje, de briefje, het briefjes
Question 11
Voor de markt neemt Isa één tasje mee; thuis heeft ze nog twee _____.
Options: tasje, tasjes, tassen
Question 12
In het poppenhuis staan vijf kleine bedden. Voor de poppen zijn dat _____.
Options: het bedje, het bedjes, de bedjes
Question 13
In de speelgoedwinkel staan drie _____ in het raam.
Options: treintjes, treintje, treintjen
Question 14
Na het spelen blijft _____ onder de bank liggen.
Options: de treintjes, het treintje, het treintjes
Question 15
In deze straat staan _____ huisjes dicht bij elkaar.
Options: het, een, de
Practice Eén klein ding en meer with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Eén klein ding en meer in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.