Question 1
Ik schrijf een _____ aan mijn oma.
Options: brief, briev, brieff
Kies de juiste korte of lange vorm. Let op of een f een v wordt, een s een z wordt, of de medeklinker verdubbelt. Aan het woordeinde schrijf je f of s.
Question 1
Ik schrijf een _____ aan mijn oma.
Options: brief, briev, brieff
Question 2
Er zitten drie _____ op het dak.
Options: duiffen, duiven, duifen
Question 3
Voor het ontbijt was ik een tros _____.
Options: druiffen, druifen, druiven
Question 4
Door de harde wind zijn er hoge _____ op zee.
Options: golven, golffen, golfen
Question 5
Voor deze jurken gebruiken we zachte _____ van katoen.
Options: stoven, stoffen, stofen
Question 6
De rechter geeft de twee dieven zware _____.
Options: straven, strafen, straffen
Question 7
In de dierentuin eten vier _____ bladeren van een hoge boom.
Options: giraffen, giraven, girafen
Question 8
Wij wonen in een klein _____ met een tuin.
Options: huiz, huis, huiss
Question 9
Na de verhuizing staan er nog tien _____ in de gang.
Options: doossen, doosen, dozen
Question 10
De clowns dragen grote rode _____.
Options: neuzen, neussen, neusen
Question 11
Mijn opa vertelt graag over zijn verre _____.
Options: reissen, reizen, reisen
Question 12
De kok maakt drie verse _____ schoon voor het avondeten.
Options: vizen, visen, vissen
Question 13
Bij het station wachten drie volle _____ op vertrek.
Options: bussen, buzen, busen
Question 14
Op maandag hebben we twee _____ Nederlands.
Options: lezen, lessen, lesen
Question 15
De postbode stopt twee _____ in onze brievenbus.
Options: brieffen, briefen, brieven
Practice F, v, s en z in families with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using F, v, s en z in families in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.