Question 1
_____ er een toilet in het gebouw?
Options: Is, Bent, Zijn
Kies het juiste woord.
Question 1
_____ er een toilet in het gebouw?
Options: Is, Bent, Zijn
Question 2
_____ er brood in de keuken?
Options: Ben, Zijn, Is
Question 3
_____ er vrije tafels in het restaurant?
Options: Is, Zijn, Bent
Question 4
_____ er bussen na tien uur?
Options: Is, Zijn, Ben
Question 5
_____ er een rustige kamer vrij?
Options: Is, Zijn, Bent
Question 6
_____ er rijst in de kast?
Options: Zijn, Ben, Is
Question 7
Er _____ geen lift in het gebouw.
Options: is, zijn, bent
Question 8
Er _____ geen handdoeken in de kamer.
Options: is, zijn, ben
Question 9
Er _____ geen suiker in de pot.
Options: zijn, bent, is
Question 10
Er _____ vandaag geen lessen.
Options: is, zijn, bent
Question 11
Er _____ geen winkel in het dorp.
Options: is, zijn, ben
Question 12
Er zijn _____ winkels open.
Options: niet, een, geen
Question 13
Is er een toilet? — Ja, er _____ een toilet.
Options: is, zijn, bent
Question 14
Zijn er nog plaatsen vrij? — Nee, er _____ geen plaatsen vrij.
Options: ben, zijn, is
Question 15
Is er rijst? — Nee, er _____ geen rijst.
Options: bent, zijn, is
Practice Vragen en ontkenningen with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Vragen en ontkenningen in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.