Er is en er zijn
Leer er is en er zijn gebruiken om een nieuwe persoon, een ding of meerdere zaken te noemen, met de juiste woordvolgorde en enkelvoud of meervoud.
Met er is en er zijn vertel je dat een persoon of een ding aanwezig is. Je noemt vaak iets nieuws: Er is een bakker in de straat.
Na deze les kun je:
- er is bij het enkelvoud gebruiken;
- er zijn bij het meervoud gebruiken;
- een vraag en een ontkenning met er maken.
Er is: één persoon of ding
Gebruik er is bij één persoon of één ding. Na er is komt vaak een.
| Structuur | Voorbeeld |
|---|---|
| er + is + een persoon | Er is een dokter. |
| er + is + een ding | Er is een tafel. |
| er + is + een ding + plaats | Er is een supermarkt naast het station. |
Je gebruikt er is ook bij iets dat je niet telt, zoals het water, de koffie of de melk.
- Er is water in de fles.
- Er is koffie in de keuken.
- Er is melk in de koelkast.
Er is een nieuwe leerling in de klas.
Er is een probleem met de computer.
Er is vandaag een markt op het plein.
Er zijn: meer personen of dingen
Gebruik er zijn bij twee of meer personen of dingen. Het zelfstandig naamwoord staat dan meestal in het meervoud.
| Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|
| Er is een stoel. | Er zijn vier stoelen. |
| Er is een kind in de tuin. | Er zijn twee kinderen in de tuin. |
| Er is een winkel. | Er zijn veel winkels. |
Woorden als twee, veel en enkele wijzen vaak op het meervoud: Er zijn veel fietsen bij het station.
Kijk naar het woord na is of zijn. Is het één ding? Kies er is. Zijn het meer dingen? Kies er zijn.
Iets nieuws noemen
Met er is of er zijn introduceer je vaak nieuwe informatie. Daarna kun je verder praten over de persoon of het ding.
Er is een café op de hoek. Het café is klein.
Er zijn twee appels in de tas. De appels zijn rood.
Vergelijk deze zinnen:
- Er is een apotheek in de straat. De apotheek wordt hier voor het eerst genoemd.
- De apotheek is open. De spreker en de luisteraar weten al welke apotheek het is.
In deze zinnen betekent er niet een bepaalde plaats. De plaats staat apart in de zin: in de straat, op de hoek of naast het station.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Vragen met is er en zijn er
In een ja-neevraag komt is of zijn voor er.
| Mededeling | Vraag |
|---|---|
| Er is een toilet. | Is er een toilet? |
| Er is brood. | Is er brood? |
| Er zijn vrije tafels. | Zijn er vrije tafels? |
| Er zijn bussen na tien uur. | Zijn er bussen na tien uur? |
Je kunt kort antwoorden:
- Ja, er is een toilet.
- Nee, er is geen toilet.
- Ja, er zijn nog plaatsen.
- Nee, er zijn geen plaatsen.
Geen in een ontkenning
Gebruik geen als een persoon of een ding niet aanwezig is.
- Er is geen lift in het gebouw.
- Er is geen suiker in de koffie.
- Er zijn geen handdoeken in de badkamer.
- Er zijn vandaag geen lessen.
Kies het werkwoord op basis van het enkelvoud of het meervoud, ook met geen.
✓ Er is geen winkel.
✓ Er zijn geen winkels.
De basis in één overzicht
| Betekenis | Mededeling | Vraag | Ontkenning |
|---|---|---|---|
| één ding | Er is een kamer. | Is er een kamer? | Er is geen kamer. |
| meer dingen | Er zijn drie kamers. | Zijn er drie kamers? | Er zijn geen kamers. |
| niet telbaar: de rijst | Er is rijst. | Is er rijst? | Er is geen rijst. |
Onthoud de twee basisvormen: er is voor het enkelvoud en er zijn voor het meervoud. Zet in een vraag het werkwoord voor er.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
30 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 30 words and review them later.
Personen en dingen met er is en er zijn
30 wordsLast updated October 11, 2026