Question 1
Voor de soep koopt Ben _____; hij bedoelt meerdere, nog niet bepaalde exemplaren.
Options: de wortels, wortels, een wortels
Kies de vorm die bij het enkelvoud, het meervoud, een stof of het getal 1 past.
Question 1
Voor de soep koopt Ben _____; hij bedoelt meerdere, nog niet bepaalde exemplaren.
Options: de wortels, wortels, een wortels
Question 2
Welke zin vertelt in het algemeen wat langs het pad groeit, zonder bepaalde bomen aan te wijzen? _____ groeien langs het pad.
Options: Bomen, De bomen, Een bomen
Question 3
Op de algemene boodschappenlijst staat _____; er is geen bepaald merk of vaste verpakking bedoeld.
Options: rijst, een rijst, de rijst
Question 4
Bij de lunch eet Amal _____; ze bedoelt geen heel brood en geen bekend stuk.
Options: het brood, brood, een brood
Question 5
Mees vertelt alleen welke drank hij elke ochtend drinkt, niet hoeveel: "Ik drink _____."
Options: koffie, de koffie, een kop koffie
Question 6
Yara wil water als een telbare portie bestellen. Ze vraagt om _____.
Options: het water, water, een glas water
Question 7
In het café noemt Finn de drank als een telbare portie: hij bestelt _____.
Options: koffie, een kop koffie, de koffie
Question 8
Mia wil brood als een klein, telbaar deel meenemen en heeft nog niets gekozen. Ze koopt _____.
Options: een broodje, brood, het broodje
Question 9
Ravi vertelt alleen dat hij _____ zus heeft; hij vergelijkt het aantal niet met twee of drie.
Options: een, één, de
Question 10
Welke spelling uit de les maakt de nadruk op het aantal zichtbaar? Er is plaats voor _____ gast, niet voor twee.
Options: een, één, de
Question 11
Bij het loket wil Amina de nadruk op het aantal zichtbaar schrijven: "Ik wil _____ kaartje, niet twee."
Options: het, een, één
Question 12
In het park ziet Jens voor het eerst _____ kat; hij zegt niets over het aantal.
Options: de, één, een
Question 13
Welke woordgroep past bij meerdere onbekende dieren? _____
Options: een katten, katten, de katten
Question 14
Op een algemene boodschappenlijst noteert Mo alleen de stof, zonder verpakking of hoeveelheid: _____. Voor onderweg koopt hij daarnaast _____ fles water.
Options: het water, een fles water, water, de, een, het
Question 15
Noor noemt voor het eerst haar lunch zonder een soort te kiezen: ze koopt _____ broodje. Ze koopt ook _____ zonder een verpakking te noemen en _____ die nog niet uitgekozen zijn.
Options: het, een, de, melk, de melk, een pak melk, de appels, een appels, appels
Practice Een, geen lidwoord of één? with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Een, geen lidwoord of één? in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.