A1 · BeginnerLesson 2 of 3

Het onbepaalde lidwoord een

Leer een gebruiken voor één onbekende persoon of zaak, herken het verschil met één en ontdek wanneer een lidwoord bij een meervoud wegblijft.

By the flumi team About 5 min read 21 vocabulary wordsGrammar learning path: Lidwoorden en verkleinwoorden

Met een noem je één persoon of één ding dat nog niet bekend is in het gesprek. Een is het onbepaalde lidwoord van het Nederlands.

Na deze les kun je:

  • een gebruiken bij een telbaar woord in het enkelvoud;
  • van een naar de of het gaan als iets al bekend is;
  • het lidwoord een onderscheiden van het getal één.

Wanneer gebruik je een?

Gebruik een als je een persoon of een ding voor het eerst noemt. De luisteraar weet nog niet precies wie of wat je bedoelt.

Woord met lidwoord Voorbeeldzin
de fiets Ik koop een fiets.
het huis Zij zoekt een huis.
de buurman Er staat een buurman voor de deur.
het cadeau We hebben een cadeau voor Noor.

Het maakt niet uit of het woord normaal de of het krijgt. In het enkelvoud kan bij beide soorten een staan.

Op het plein staat een man. De man wacht op de bus.

Naast de school staat een gebouw. Het gebouw is nieuw.

De eerste keer gebruik je een. De tweede keer is duidelijk over welke man of welk gebouw je praat. Dan gebruik je de of het.

Een staat bij het enkelvoud

Het onbepaalde lidwoord een staat bij één telbaar zelfstandig naamwoord.

  • een appel
  • een stoel
  • een kind
  • een station

Bij een meervoud staat geen een. Je kunt het meervoud zonder lidwoord gebruiken als de personen of dingen nog niet bekend zijn.

Enkelvoud Onbepaald meervoud
een appel appels
een stoel stoelen
een kind kinderen

Zet een nooit voor een meervoud.

✓ Ik koop appels.

✗ Ik koop een appels.

Beroepen en nationaliteiten

Na zijn gebruik je bij een beroep of nationaliteit meestal geen een: Hij is leraar. / Zij is Nederlandse.

Geen lidwoord bij een stof of hoeveelheid

Sommige woorden noemen iets dat je meestal niet als losse eenheden telt. Dan gebruik je vaak geen lidwoord.

Basiswoord Zonder lidwoord
het water Ik drink water.
de koffie Wij kopen koffie.
het brood Zij eet brood.

Wil je één duidelijk deel noemen? Dan gebruik je een telbaar woord: een glas water, een kop koffie of een broodje.

Een woord kan in een andere situatie wel telbaar zijn. Voor A1 is het vooral belangrijk om veelgebruikte combinaties als één geheel te leren.

Geen als ontkenning

Gebruik geen als de ontkenning van een of van een stofnaam zonder lidwoord: Ik heb een fiets → Ik heb geen fiets. / Ik drink koffie → Ik drink geen koffie.

Quick check

Try one question now.

1
Bij de receptie zegt Mila voor het eerst: "Er wacht bezoeker voor u." Niemand weet nog welke bezoeker.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Een of één?

Een en één hebben niet dezelfde taak.

Vorm Betekenis Voorbeeld
een een onbekende persoon of zaak Ik heb een broer.
één het getal 1, vaak als tegenstelling Ik heb één broer, niet twee.

Het lidwoord een spreek je meestal kort uit als /ən/ (informeel soms geschreven als 'n). Het getal één heeft een lange ee-klank en krijgt nadruk. De accenttekens maken dat verschil zichtbaar wanneer dat nodig is.

Schrijf één alleen als je het aantal benadrukt of tegenover een ander aantal zet. Anders is meestal het lidwoord een juist.

Een in een zin

Volg deze stappen:

  1. Bepaal of je over één telbare persoon of zaak praat.
  2. Vraag of die persoon of zaak al bekend is.
  3. Nog niet bekend? Gebruik een.
  4. Al wel bekend? Gebruik de of het.

Ik zie een hond in het park.

De hond speelt met een bal.

De bal ligt nu onder een bank.

Kort onthouden

Situatie Vorm
één onbekend, telbaar ding een
een bekende persoon of zaak de of het
een onbepaald meervoud geen lidwoord
nadruk op het getal 1 één

Onthoud het contrast: een boek introduceert iets nieuws; het boek verwijst naar iets bekends; één boek betekent niet twee boeken.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

21 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 21 words and review them later.

Telbare woorden met een

21 words

Last updated October 11, 2026