Question 1
Ik _____ vandaag thuis gewerkt.
Options: heb, hebt, heeft
Kies de juiste vorm van hebben of het passende voltooide deelwoord.
Question 1
Ik _____ vandaag thuis gewerkt.
Options: heb, hebt, heeft
Question 2
_____ jij een lekkere soep gemaakt?
Options: Heeft, Heb, Hebt
Question 3
U _____ het formulier goed ingevuld.
Options: hebben, heb, heeft
Question 4
Noor _____ haar moeder gebeld.
Options: heeft, heb, hebben
Question 5
De docent weet dat wij samen voor de toets _____.
Options: hebben leerde, hebben geleerd, heeft geleerd
Question 6
De kinderen _____ buiten gespeeld.
Options: heeft, hebt, hebben
Question 7
Jullie _____ de keuken nog niet schoongemaakt.
Options: hebben, heeft, hebt
Question 8
Na de lunch hebben we nog twee uur _____.
Options: gewerkd, gewerkt, werken
Question 9
Mila heeft een kaart voor haar oma _____.
Options: gemaakd, maken, gemaakt
Question 10
We hebben een uur door het park _____.
Options: gefietst, gefietsd, fietsen
Question 11
Sara heeft haar broer vanmorgen _____.
Options: gebelt, gebeld, bellen
Question 12
De cursisten hebben veel nieuwe woorden _____.
Options: geleert, leren, geleerd
Question 13
Ik heb vijf jaar in Utrecht _____.
Options: gewoond, gewoont, wonen
Question 14
We _____ gisteren thuis _____.
Options: heeft, hebben, hebt, werken, gewerkd, gewerkt
Question 15
Ik heb een taart voor het feest _____.
Options: bakken, bakte, gebakken
Practice Hebben met een voltooid deelwoord with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Hebben met een voltooid deelwoord in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.