Het perfectum met hebben
Leer het Nederlandse perfectum met hebben vormen en gebruiken, met regelmatige en onregelmatige voltooide deelwoorden en de juiste woordvolgorde.
Het perfectum vertelt vaak over iets dat vóór het moment van spreken is gebeurd. Je maakt deze tijd met een vorm van het hulpwerkwoord hebben en een voltooid deelwoord: Ik heb de maaltijd gekookt.
Na deze les kun je:
- het perfectum met hebben vormen;
- regelmatige en veelgebruikte onregelmatige deelwoorden gebruiken;
- het hulpwerkwoord en het deelwoord op de juiste plaats zetten.
Wanneer gebruik je het perfectum?
Het perfectum heet ook de voltooid tegenwoordige tijd. In gesprekken gebruik je het vaak voor een gebeurtenis in het verleden.
- een afgeronde handeling: Ik heb mijn huiswerk gemaakt.
- een ervaring: Wij hebben die film al gezien.
- een gebeurtenis met een resultaat nu: Sara heeft de deur geopend. De deur is nu open.
Vraag: Wat heb je vanmorgen gedaan?
Antwoord: Ik heb boodschappen gedaan, koffie gezet en mijn oma gebeld.
Een tijdsbepaling kan het moment duidelijk maken: gisteren, vorige week, vanmorgen, al of nog nooit.
De vorm van hebben
Het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.
| Onderwerp | Hebben | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | heb | Ik heb gewerkt. |
| jij / je | hebt | Jij hebt gewerkt. |
| u | hebt / heeft | U heeft gewerkt. |
| hij / zij / het | heeft | Zij heeft gewerkt. |
| wij / we | hebben | Wij hebben gewerkt. |
| jullie | hebben | Jullie hebben gewerkt. |
| zij / ze | hebben | Ze hebben gewerkt. |
In een gewone hoofdzin staat de vorm van hebben op de tweede plaats. Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan: Wij hebben gisteren in de tuin gewerkt.
Zoek eerst het onderwerp en kies heb, hebt, heeft of hebben. Zet daarna het voltooid deelwoord aan het einde van de hoofdzin.
Regelmatige voltooide deelwoorden
Een regelmatig voltooid deelwoord heeft vaak de vorm ge- + stam + -d/-t.
De geschreven stam is bij deze regelmatige werkwoorden de ik-vorm: werken → ik werk → werk, maken → ik maak → maak.
| Hele werkwoord | Stam | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| werken | werk | gewerkt |
| maken | maak | gemaakt |
| fietsen | fiets | gefietst |
| bellen | bel | gebeld |
| leren | leer | geleerd |
| wonen | woon | gewoond |
| zetten | zet | gezet |
| praten | praat | gepraat |
| antwoorden | antwoord | geantwoord |
Voor de keuze tussen -t en -d kijk je naar het hele werkwoord zonder -en, vóór je de spelling aanpast aan de ik-vorm. Is de laatste medeklinker t, k, f, s, ch of p? Dan krijgt het regelmatige deelwoord -t. Het ezelsbruggetje is 't kofschip. Ook x telt mee, want die klinkt als ks: faxen → gefaxt. In andere regelmatige gevallen krijgt het deelwoord -d. De verleden tijd helpt ook: werkte → gewerkt, maar leerde → geleerd.
Let op: een v in het hele werkwoord wordt f in de geschreven stam, en een z wordt s. Voor de uitgang gebruik je de v of z van het hele werkwoord, dus schrijf je -d:
| Hele werkwoord | Geschreven stam | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| geloven | geloof | geloofd |
| leven | leef | geleefd |
| reizen | reis | gereisd |
| verhuizen | verhuis | verhuisd |
Eindigt de stam al op t of d? Dan schrijf je geen tweede t of d: zetten → gezet, praten → gepraat, antwoorden → geantwoord.
Je hoort aan het einde vaak dezelfde klank, maar de spelling kan d of t zijn. Controleer het hele werkwoord zonder -en of de verleden tijd: geleerd, niet geleert.
Quick check
Try one question now.
Check your answer when you are ready. No sign-in needed.
Deelwoorden zonder ge- en onregelmatige vormen
Een scheidbaar werkwoord krijgt ge- tussen de twee delen. Een werkwoord met een onbeklemtoond voorvoegsel zoals be-, ont-, ver-, her- of ge- krijgt geen extra ge-.
Onbeklemtoond betekent dat dat deel niet de nadruk krijgt. De hoofdletters laten de nadruk zien: OPbellen en AFmaken zijn scheidbaar (ik bel op, ik maak af). Bij beTAlen en ontDEKken ligt de nadruk verderop: be- en ont- blijven vast aan het werkwoord.
| Type | Hele werkwoord | Voltooid deelwoord |
|---|---|---|
| scheidbaar | opbellen | opgebeld |
| scheidbaar | afmaken | afgemaakt |
| met be- | betalen | betaald |
| met ont- | ontdekken | ontdekt |
| met ver- | vertellen | verteld |
| met her- | herhalen | herhaald |
| met ge- | geloven | geloofd |
Bij veel onregelmatige werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord op -en en verandert de klinker, zoals geschreven, gelezen en gedronken. Leer die vormen apart.
- hebben → gehad
- doen → gedaan
- zien → gezien
- lezen → gelezen
- schrijven → geschreven
- kopen → gekocht
Wanneer kies je hebben?
Veel werkwoorden gebruiken hebben. Dat geldt in verreweg de meeste gevallen voor werkwoorden met een lijdend voorwerp en voor veel activiteiten die geen verandering van de toestand of de plaats van het onderwerp uitdrukken.
| Werkwoord | Voorbeeld met hebben |
|---|---|
| maken | Ik heb een kast gemaakt. |
| eten | Wij hebben soep gegeten. |
| lezen | Noor heeft het boek gelezen. |
| slapen | Het kind heeft goed geslapen. |
| werken | Jullie hebben lang gewerkt. |
Sommige werkwoorden van beweging kunnen hebben of zijn gebruiken. Bij de activiteit past vaak hebben: Ik heb een uur gefietst. Bij een duidelijke verplaatsing naar een doel past vaak zijn: Ik ben naar het station gefietst.
| Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|
| activiteit: hoelang? | Ik heb een uur gefietst. |
| verplaatsing: waarheen? | Ik ben naar het station gefietst. |
Werkwoorden zoals gaan, komen en worden gebruiken normaal zijn. Die vormen horen bij de aparte les over het perfectum met zijn.
Vragen, ontkenningen en controle
In een ja-neevraag staat hebben voor het onderwerp. Het deelwoord blijft achteraan.
- Heb je de e-mail gestuurd?
- Heeft Amir zijn kamer opgeruimd?
- Hebben jullie de oefening begrepen?
Bij jij en je verdwijnt de -t wanneer het hulpwerkwoord ervoor staat: Jij hebt gebeld, maar Heb jij gebeld?
Voor een ontkenning gebruik je bijvoorbeeld niet, geen of nog niet: Ik heb de film nog niet gezien en Wij hebben geen brood gekocht.
In een bijzin met dat staan het hulpwerkwoord en het deelwoord samen achteraan. Beide volgordes zijn goed:
- Ik denk dat hij de brief gestuurd heeft.
- Ik denk dat hij de brief heeft gestuurd.
Controleer elke zin in drie stappen:
- Kies de juiste vorm van hebben bij het onderwerp.
- Vorm of leer het juiste voltooid deelwoord.
- Zet het deelwoord meestal aan het einde van de hoofdzin.
| Tegenwoordige tijd | Perfectum |
|---|---|
| Ik maak het eten. | Ik heb het eten gemaakt. |
| Zij belt haar vader. | Zij heeft haar vader gebeld. |
| We lezen de krant. | We hebben de krant gelezen. |
Het basispatroon is dus: onderwerp + vorm van hebben + rest + voltooid deelwoord.
You reached the end
You reached the endNow make it stick.
Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.
Was this lesson helpful?
Vocabulary in this lesson
36 words, ready to study.
Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.
Save any of these 36 words and review them later.
Werkwoorden die het perfectum met hebben vormen
36 wordsLast updated October 11, 2026