A2 · ElementaryLesson 1 of 2

Het perfectum met hebben

Leer het Nederlandse perfectum met hebben vormen en gebruiken, met regelmatige en onregelmatige voltooide deelwoorden en de juiste woordvolgorde.

By the flumi team About 8 min read 36 vocabulary wordsGrammar learning path: Het perfectum met hebben of zijn

Het perfectum vertelt vaak over iets dat vóór het moment van spreken is gebeurd. Je maakt deze tijd met een vorm van het hulpwerkwoord hebben en een voltooid deelwoord: Ik heb de maaltijd gekookt.

Na deze les kun je:

  • het perfectum met hebben vormen;
  • regelmatige en veelgebruikte onregelmatige deelwoorden gebruiken;
  • het hulpwerkwoord en het deelwoord op de juiste plaats zetten.

Wanneer gebruik je het perfectum?

Het perfectum heet ook de voltooid tegenwoordige tijd. In gesprekken gebruik je het vaak voor een gebeurtenis in het verleden.

  • een afgeronde handeling: Ik heb mijn huiswerk gemaakt.
  • een ervaring: Wij hebben die film al gezien.
  • een gebeurtenis met een resultaat nu: Sara heeft de deur geopend. De deur is nu open.

Vraag: Wat heb je vanmorgen gedaan?

Antwoord: Ik heb boodschappen gedaan, koffie gezet en mijn oma gebeld.

Een tijdsbepaling kan het moment duidelijk maken: gisteren, vorige week, vanmorgen, al of nog nooit.

De vorm van hebben

Het hulpwerkwoord verandert met het onderwerp. Het voltooid deelwoord blijft hetzelfde.

Onderwerp Hebben Voorbeeld
ik heb Ik heb gewerkt.
jij / je hebt Jij hebt gewerkt.
u hebt / heeft U heeft gewerkt.
hij / zij / het heeft Zij heeft gewerkt.
wij / we hebben Wij hebben gewerkt.
jullie hebben Jullie hebben gewerkt.
zij / ze hebben Ze hebben gewerkt.

In een gewone hoofdzin staat de vorm van hebben op de tweede plaats. Het voltooid deelwoord staat meestal achteraan: Wij hebben gisteren in de tuin gewerkt.

Zoek eerst het onderwerp en kies heb, hebt, heeft of hebben. Zet daarna het voltooid deelwoord aan het einde van de hoofdzin.

Regelmatige voltooide deelwoorden

Een regelmatig voltooid deelwoord heeft vaak de vorm ge- + stam + -d/-t.

De geschreven stam is bij deze regelmatige werkwoorden de ik-vorm: werken → ik werk → werk, maken → ik maak → maak.

Hele werkwoord Stam Voltooid deelwoord
werken werk gewerkt
maken maak gemaakt
fietsen fiets gefietst
bellen bel gebeld
leren leer geleerd
wonen woon gewoond
zetten zet gezet
praten praat gepraat
antwoorden antwoord geantwoord

Voor de keuze tussen -t en -d kijk je naar het hele werkwoord zonder -en, vóór je de spelling aanpast aan de ik-vorm. Is de laatste medeklinker t, k, f, s, ch of p? Dan krijgt het regelmatige deelwoord -t. Het ezelsbruggetje is 't kofschip. Ook x telt mee, want die klinkt als ks: faxen → gefaxt. In andere regelmatige gevallen krijgt het deelwoord -d. De verleden tijd helpt ook: werkte → gewerkt, maar leerde → geleerd.

Let op: een v in het hele werkwoord wordt f in de geschreven stam, en een z wordt s. Voor de uitgang gebruik je de v of z van het hele werkwoord, dus schrijf je -d:

Hele werkwoord Geschreven stam Voltooid deelwoord
geloven geloof geloofd
leven leef geleefd
reizen reis gereisd
verhuizen verhuis verhuisd

Eindigt de stam al op t of d? Dan schrijf je geen tweede t of d: zetten → gezet, praten → gepraat, antwoorden → geantwoord.

Je hoort aan het einde vaak dezelfde klank, maar de spelling kan d of t zijn. Controleer het hele werkwoord zonder -en of de verleden tijd: geleerd, niet geleert.

Quick check

Try one question now.

1
Ik vandaag thuis gewerkt.

Check your answer when you are ready. No sign-in needed.

Deelwoorden zonder ge- en onregelmatige vormen

Een scheidbaar werkwoord krijgt ge- tussen de twee delen. Een werkwoord met een onbeklemtoond voorvoegsel zoals be-, ont-, ver-, her- of ge- krijgt geen extra ge-.

Onbeklemtoond betekent dat dat deel niet de nadruk krijgt. De hoofdletters laten de nadruk zien: OPbellen en AFmaken zijn scheidbaar (ik bel op, ik maak af). Bij beTAlen en ontDEKken ligt de nadruk verderop: be- en ont- blijven vast aan het werkwoord.

Type Hele werkwoord Voltooid deelwoord
scheidbaar opbellen opgebeld
scheidbaar afmaken afgemaakt
met be- betalen betaald
met ont- ontdekken ontdekt
met ver- vertellen verteld
met her- herhalen herhaald
met ge- geloven geloofd

Bij veel onregelmatige werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord op -en en verandert de klinker, zoals geschreven, gelezen en gedronken. Leer die vormen apart.

  • hebben → gehad
  • doen → gedaan
  • zien → gezien
  • lezen → gelezen
  • schrijven → geschreven
  • kopen → gekocht

Wanneer kies je hebben?

Veel werkwoorden gebruiken hebben. Dat geldt in verreweg de meeste gevallen voor werkwoorden met een lijdend voorwerp en voor veel activiteiten die geen verandering van de toestand of de plaats van het onderwerp uitdrukken.

Werkwoord Voorbeeld met hebben
maken Ik heb een kast gemaakt.
eten Wij hebben soep gegeten.
lezen Noor heeft het boek gelezen.
slapen Het kind heeft goed geslapen.
werken Jullie hebben lang gewerkt.

Sommige werkwoorden van beweging kunnen hebben of zijn gebruiken. Bij de activiteit past vaak hebben: Ik heb een uur gefietst. Bij een duidelijke verplaatsing naar een doel past vaak zijn: Ik ben naar het station gefietst.

Betekenis Voorbeeld
activiteit: hoelang? Ik heb een uur gefietst.
verplaatsing: waarheen? Ik ben naar het station gefietst.

Werkwoorden zoals gaan, komen en worden gebruiken normaal zijn. Die vormen horen bij de aparte les over het perfectum met zijn.

Vragen, ontkenningen en controle

In een ja-neevraag staat hebben voor het onderwerp. Het deelwoord blijft achteraan.

  • Heb je de e-mail gestuurd?
  • Heeft Amir zijn kamer opgeruimd?
  • Hebben jullie de oefening begrepen?

Bij jij en je verdwijnt de -t wanneer het hulpwerkwoord ervoor staat: Jij hebt gebeld, maar Heb jij gebeld?

Voor een ontkenning gebruik je bijvoorbeeld niet, geen of nog niet: Ik heb de film nog niet gezien en Wij hebben geen brood gekocht.

In een bijzin met dat staan het hulpwerkwoord en het deelwoord samen achteraan. Beide volgordes zijn goed:

  • Ik denk dat hij de brief gestuurd heeft.
  • Ik denk dat hij de brief heeft gestuurd.

Controleer elke zin in drie stappen:

  1. Kies de juiste vorm van hebben bij het onderwerp.
  2. Vorm of leer het juiste voltooid deelwoord.
  3. Zet het deelwoord meestal aan het einde van de hoofdzin.
Tegenwoordige tijd Perfectum
Ik maak het eten. Ik heb het eten gemaakt.
Zij belt haar vader. Zij heeft haar vader gebeld.
We lezen de krant. We hebben de krant gelezen.

Het basispatroon is dus: onderwerp + vorm van hebben + rest + voltooid deelwoord.

You reached the end

You reached the end

Now make it stick.

Save your progress, or start the exercises. Practice with detailed feedback after you submit, or save your progress and come back.

Practice exercises

Was this lesson helpful?

Vocabulary in this lesson

36 words, ready to study.

Play a word to hear it, then mark it as known — or save it to study later.

Save any of these 36 words and review them later.

Werkwoorden die het perfectum met hebben vormen

36 words

Last updated October 11, 2026