Question 1
Ik _____ naar het station gegaan.
Options: ben, bent, is
Kies de juiste vorm van zijn of het passende voltooide deelwoord.
Question 1
Ik _____ naar het station gegaan.
Options: ben, bent, is
Question 2
Jij _____ op tijd aangekomen.
Options: ben, bent, is
Question 3
U _____ vroeg naar huis vertrokken.
Options: is, zijn, bent
Question 4
Noor _____ naar Amsterdam verhuisd.
Options: is, ben, zijn
Question 5
Wij _____ om zeven uur vertrokken.
Options: bent, zijn, is
Question 6
De gasten _____ met de trein gekomen.
Options: is, bent, zijn
Question 7
Na het eten ben ik direct naar huis _____.
Options: gegaan, gegaad, gaan
Question 8
Mijn broer is gisteren uit België _____.
Options: komen, gekomen, gekomt
Question 9
De trein is precies om acht uur _____.
Options: gevertrokken, vertrekken, vertrokken
Question 10
We zijn na een lange reis veilig _____.
Options: aangekomen, geaankomen, aankomen
Question 11
Mila is vorige maand naar Utrecht _____.
Options: verhuist, verhuisd, geverhuisd
Question 12
Het kind is op het natte pad _____.
Options: gevald, vallen, gevallen
Question 13
Mijn zus is vorig jaar arts _____.
Options: geworden, gewordt, worden
Question 14
De plant is in een maand tien centimeter _____.
Options: groeide, gegroeid, groeien
Question 15
De vergadering is om negen uur _____.
Options: gebegonnen, beginnen, begonnen
Practice Zijn bij beweging en verandering with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Zijn bij beweging en verandering in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.