Question 1
Ik stond voor een dichte deur: ik _____ mijn sleutel op kantoor _____.
Options: had, heb, was, vergat, vergeten, vergeet
Maak de tijdlijn duidelijk met een passende hulpwerkwoordsvorm en verleden tijd.
Question 1
Ik stond voor een dichte deur: ik _____ mijn sleutel op kantoor _____.
Options: had, heb, was, vergat, vergeten, vergeet
Question 2
Toen we bij het restaurant aankwamen, bleek dat Noor al _____.
Options: heeft gereserveerd, had gereserveerd, reserveerde
Question 3
De reizigers kwamen te laat: de trein _____ al _____.
Options: had, is, was, vertrok, vertrekt, vertrokken
Question 4
Mila kende de route goed, want ze _____ die rit eerder vaak _____.
Options: had, heeft, was, gemaakt, maakte, maken
Question 5
Voor die avond _____ Amir nog nooit voor zo veel mensen _____.
Options: heeft, had, was, sprak, gesproken, spreken
Question 6
Toen de hulp arriveerde, _____ de bewoners al _____.
Options: hadden, zijn, waren, vertrekken, vertrokken ze, vertrokken
Question 7
Nadat de technicus de kabel _____, startte hij het systeem opnieuw.
Options: had vervangen, heeft vervangen, verving
Question 8
Nadat zij de deur gesloten _____, liep ze naar de lift.
Options: heeft, had, is
Question 9
Voordat de winkel sloot, _____ wij alle bestellingen al _____.
Options: hebben, verwerkten, hadden, verwerkt, verwerken
Question 10
Daan was opgelucht omdat hij het verslag net op tijd _____.
Options: had ingeleverd, heeft ingeleverd, leverde in
Question 11
De weg was afgesloten. Eerder die ochtend _____ een vrachtwagen een lading _____.
Options: heeft, had, was, verloor, verloren, verliezen
Question 12
Na de verklaring van de oorzaak gaat het verhaal verder: De politie _____ het verkeer om en maakte de weg vrij.
Options: heeft geleid, had geleid, leidde
Question 13
Vorige zomer _____ Noor naar Gent _____. Er is geen later verleden moment genoemd.
Options: is, was, had, verhuist, verhuisde, verhuisd
Question 14
Toen ik haar vorige maand belde, _____ Noor al naar Gent _____.
Options: is, was, had, verhuisd, verhuisde, verhuizen
Question 15
Toen de docent het vroeg, _____ ik die schrijver nog nooit _____.
Options: heb, was, had, las, gelezen, lezen
Practice Oorzaken en terugblikken with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.
Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Oorzaken en terugblikken in everyday Dutch.
Looking for more practice? See all exercises for this lesson.