Fill in the blank

Had, hadden, was en waren

Kies het juiste hulpwerkwoord of de juiste complete vorm voor het eerdere verleden.

0 / 15 blanks filled0%

Question 1

Voordat de les begon, _____ ik de docent al gebeld.

Options: had, hadden, heb

Question 2

Jij _____ het bericht al gestuurd toen ik belde.

Options: hebt, had, hadden

Question 3

U _____ de rekening betaald voordat de ober terugkwam.

Options: heeft, hadden, had

Question 4

Noor _____ al gegeten toen ik thuiskwam.

Options: had, hadden, heeft

Question 5

Wij _____ de kaartjes nog niet gekocht toen de voorstelling begon.

Options: had, hadden, waren

Question 6

De kinderen hadden het boek nog nooit _____ toen de docent erover vertelde.

Options: lezen, lazen, gelezen

Question 7

Ik _____ al vertrokken toen Noor bij mijn huis kwam.

Options: was, had, waren

Question 8

Sara _____ net aangekomen toen de telefoon ging.

Options: had, was, waren

Question 9

Wij _____ al naar Gent verhuisd voordat het werk begon.

Options: hadden, was, waren

Question 10

De planten _____ flink gegroeid voordat de zomer begon.

Options: waren, hadden, was

Question 11

Toen wij op het perron kwamen, _____ de trein al vertrokken.

Options: had, was, waren

Question 12

Toen we binnenkwamen, _____ de film al begonnen.

Options: had, waren, was

Question 13

In het perfectum zeg je Wij hebben gegeten. Voor een eerder verleden wordt dat: Wij _____.

Options: hadden gegeten, hebben gegeten, waren gegeten

Question 14

In het perfectum zeg je Zij is vertrokken. Voor een eerder verleden wordt dat: Zij _____.

Options: had vertrokken, was vertrokken, is vertrokken

Question 15

Welke hoofdzin heeft de juiste woordvolgorde? _____

Options: Mijn broer de kaartjes had al gekocht., Mijn broer had de kaartjes gekocht al., Mijn broer had de kaartjes al gekocht.

Practice Had, hadden, was en waren with this interactive fill-in-the-blank exercise of 15 questions. Choose the option that correctly completes each sentence, then submit to check your answers and get detailed feedback on every choice.

Practicing grammar in real sentences — rather than memorising rules in isolation — is one of the most effective ways to make a structure stick. You can retry as many times as you like to build accuracy and confidence using Had, hadden, was en waren in everyday Dutch.

Looking for more practice? See all exercises for this lesson.